Wat je ook van ze kunt zeggen: lief waren ze niet

Raymond van den Boogaard: Mijn lieve ouders. Prometheus, 77 blz. € 14,95 ***

Kinderen verdiepen zich zelden in het wezen van hun ouders. Vaak beseffen kinderen pas bij de dood van hun ouders hoe weinig ze afweten van de rest van hun leven. Voor Raymond van den Boogaard kwam het lichtelijk beangstigende inzicht dat zijn ouders eigenlijk vreemden waren. Tijdens zijn jeugd waren ze goede ouders in de minimumvariant (ze lieten hem nooit aan zijn lot over, ze scheidden niet en ze deden in alle opzichten hun best), maar omstreeks zijn dertigste gingen ze vervreemdend gedrag vertonen.

De pensionering van zijn vader vervulde zijn moeder met angst voor diens onvermijdelijke permanente aanwezigheid thuis en drie maanden nadien werd ze opgenomen in de eerste van een reeks psychiatrische inrichtingen, waar ze tot haar dood, 22 jaar later, nauwelijks aanspreekbaar zou verblijven. In het ultrakorte boekje Mijn lieve ouders probeert Van den Boogaard, NRC-redacteur, tot hun wezen door te dringen door van hun leven en sterven te vertellen.

Het eerste wat opvalt aan dit egodocument is de incongruentie van de titel: wat je ook van de ouders van kunt zeggen, lief waren ze niet. Niet voor elkaar, niet voor hun zoon. Het enige wat in de buurt komt van gezelligheid zijn de bijeenkomsten van zijn ouders met hun vrienden van het amateurtoneel en -cabaret en aan de vrolijke geluiden die wel eens uit de ouderlijke slaapkamer opstegen.

Los van momenten van seksueel geluk hadden zijn ouders een moeizame relatie. Zijn vader was een charmeur met avontuurtjes buiten de deur. Zijn moeder een klagende huisvrouw, die overheerst werd door haar man. Aan de persoonlijke relatie met zijn moeder besteedt Van den Boogaard nauwelijks aandacht. Uit alles druipt nauw verholen ergernis, tot aan zijn ongeduld toe bij het wachten op het einde bij haar sterfbed.

Bij zijn vader bestaat iets meer betrokkenheid. Ondanks de ergernis bij vlagen,bewondert Van den Boogaard in zijn vader een romantische ziel, die hij ervan verdenkt op z’n 80ste dementie of een andere psychiatrische stoornis te simuleren teneinde met zijn vrouw herenigd te kunnen worden. Deze veronderstelling zegt veel meer over de auteur dan over zijn vader.

Van den Boogaard wijst psychologisering categorisch af. Als journalist blijft hij liever bij de feiten en de concrete ervaringen. Het raadsel van de ouders heeft hij niet kunnen verkleinen, want zonder psychologie lukt dat niet. Wel heeft hij een sober en pijnlijk vignet gemaakt van een onmachtig gezin zonder vertrouwelijkheid, waar iedereen ongelukkig is en toch loyaal blijft aan de anderen.

Beatrijs Ritsema