Taal

In een café raakte ik in gesprek met een jongeman, een gymnasiast. Hij vertelde een beetje beschaamd dat, toen hij pas op die school zat, hij zich begon te ergeren aan het taalgebruik van zijn moeder, een vrouw van eenvoudige komaf die gebrekkig onderwijs had genoten. „Ma”, had hij gezegd, „je moet niet vlooi zeggen. Het is vlo. Vlo. Geen vlooi.” Ze beloofde beterschap. Een paar dagen later kwam ze zijn kamer binnen waar hij aan zijn bureautje zijn huiswerk maakte. Ze keek rond en zei daarop: „Wat is het hier een rotzo.”

Tijdens een diner met een aantal mensen klaagde een meisje dat de spaghetti te gaar was. „Hij is niet al dente”, zei ze. Maar ze sprak het uit als Dante. Een man van mijn leeftijd bespotte haar door te vragen: „O? Is- ie à la Petrarca?” Later kapittelde ik hem daarover. Hij noemde het meisje dom. „Dat is niet dom”, antwoordde ik pedant, „dat is ignorant”, want ik wilde ook wel eens een duur woord gebruiken.

Met klemtonen klungelt men ook vaak. (Alliteratie)

Zo hoor je dikwijls normalíter in plaats van normáliter, of, nog erger, idealíter.

Sportverslaggevers spreken van Herácles en niet Héracles.

Een vriend van mij, geboren in West-Friesland, zegt „bij elkaar” met het accent op bij. Dat is geen fout , geloof ik, maar een opvatting.

Zelf kan ik er ook wat van. In Arnhem woonde ik 15 jaar in de Huygenslaan, maar wij spraken dat uit als huigen slaan, dat klinkt als een bevel om een jongen die Huygen heet te tuchtigen. Waarschijnlijk wilden we zo aangeven dat wij in een nette laan woonden en niet in een ordinaire straat.

Telkens als ik taalgebruik hoor dat niet het mijne is, hoor ik in mijn hoofd een zoemer, zo een die men laat klinken in een televisiequiz om aan te geven dat het antwoord van de kandidaat fout is.

Hinderlijk is dat.