Slechte winnaar

Een goed verliezer zijn, dat is een kunst die de meeste mensen niet gegeven is. Maar een goed winnaar zijn is ook minder makkelijk dan het lijkt.

Roger Federer is bijvoorbeeld een goed winnaar, Geert Wilders niet. Wat zijn de verschillen? Als Federer met hangen en wurgen in vijf sets (laatste set 16-14) zijn tegenstander verslagen heeft, omhelst hij de collega aan het net en spreekt hem verontschuldigend toe: „Dat scheelde niet veel, ik ben kapot.” Op de persconferentie na afloop put hij zich uit in complimenten voor zijn tegenstander. Heeft hij iemand vernietigend verslagen, dan geeft hij de ander een bemoedigend schouderklopje, alsof hij wil zeggen: „Jouw tijd komt nog wel.”

Kwestie van grandeur.

Wilders kon dat gisteren meteen na afloop van zijn vrijspraak niet opbrengen. Op vragen of hij nu gunstiger dacht over de Nederlandse rechters die hij eerder zo boosaardig had aangevallen (‘D66-rechters’), wilde hij niet ingaan. Pas uren later, toen het stof gedaald was en mensen in zijn omgeving (advocaat Moszkowicz?) hem tot bezinning hadden gebracht, kon er een lovend woordje af, zoals tegen onze verslaggever Herman Staal: „Het siert deze rechters dat ze mijn ongelijk hebben bewezen.”

Toch kan hij het in hetzelfde interview niet laten zijn rechters een schopje na te geven: „Er is geen verbod op grofheid. Ik ben het ook niet met het vonnis eens dat ik over een bepaalde lijn ben gegaan.”

Ook blijft hij zijn proces hardnekkig ‘een politiek proces’ noemen, hoewel het Openbaar Ministerie alles heeft gedaan om hem ter wille te zijn en zijn eerste rechters door collega-rechters als een stel schoolkinderen in de hoek van de wraking werden gezet. Het heeft bijna een burgeroorlogje tussen de Amsterdamse rechters veroorzaakt, dit ‘politieke proces’, er is gehuild en gescholden op de gangen van de rechtbank. Bij echte politieke processen staat de uitkomst vast en is er heel wat meer eensgezindheid in de rechterlijke macht.

Wilders vindt de vrijspraak in de eerste plaats een overwinning voor de vrijheid van meningsuiting. „En ik vind dat die ook moet gelden voor u”, zegt hij tegen de interviewer. „Voor journalisten. Voor opiniemakers. Voor iederéén.”

Fijn, Geert, dat je het zo nobel voor ons opneemt, maar waarom geldt die vrijheid dan niet voor een boek, de Koran, dat jij verboden wilt hebben, en niet voor Clairy Polak wier ontslag je steeds bepleitte, en niet voor de VARA toen ze een jouw onwelgevallige cartoon op haar website zette? Waarom verklaar je iedereen dood die het toevallig niet met je eens is? Waarom mag jij wel grove, choquerende, kwetsende, denigrerende, aanstootgevende, discriminatoire en opruiende (allemaal kwalificaties uit het vonnis) dingen over anderen zeggen, maar anderen niet over jou – op straffe van excommunicatie?

Wilders zat soms op de grens van het toelaatbare, zeggen zijn rechters, maar ze vinden dat hij er toch mee mag wegkomen als hij het als politicus in de context van het maatschappelijk debat doet. En hij mag wel de islam kwetsen, maar niet de moslims persoonlijk.

Het zou me niets verbazen als Wilders van deze vage criteria flink misbruik gaat maken – nog meer dan hij toch al gedaan heeft. „Ik heb niets tegen moslims persoonlijk”, kan hij voortaan in interviews zeggen, „maar de godsdienst die ze aanhangen is alleen bestemd voor oplichters, idioten, rovers, verkrachters en moordenaars.”