Russisch dedain voor Europa

In 1996 trad de Russische Federatie toe tot de Raad van Europa, die onder meer via het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg waakt over de rechtsstaat in de 47 aangesloten landen. Die entree was een blijk van waardering voor de moeizame maar relatief vreedzame democratisering ten tijde van president Jeltsin.

Het is geen toeval dat Wit-Rusland, waar president Loekasjenko zijn toevlucht zoekt tot steeds gewelddadiger repressie, en het theocratische Vaticaan geen deel uitmaken van de Raad van Europa.

Vijftien jaar later rijst echter de vraag of Rusland nog wel aanspraak kan maken op het lidmaatschap. Die vraag wordt vooral door het gedrag van de autoriteiten in Moskou zelf opgeworpen. Indirect en ook direct.

Een indirecte indicatie was het besluit deze week van het Russische ministerie van Justitie om de nieuwe Partij voor Volksvrijheid van de oud-premiers Kasjanov en Nemtsov niet te registreren omdat de partij ‘dode zielen’ zou hebben in geschreven.

Een directe aanwijzing is het plan de wet zo te wijzigen dat uitspraken van het Europese Hof in Straatsburg genegeerd kunnen worden als het Constitutionele Hof in Sint-Petersburg vaststelt dat de rechtsgang grondwettelijk verloopt.

Op zich is dat niet uniek. Duitsland kent zo’n hiërarchie ook. In Nederland vallen uitspraken uit Straatsburg soms eveneens verkeerd. Minister Rosenthal mopperde onlangs in de Eerste Kamer dat het Hof zich niet moet bezighouden met zaken die „perifeer” verband houden met mensenrechten.

Maar de haast die de Doema wil maken – maandag en dinsdag wil het parlement de wetswijziging al in eerste lezing afhameren – tekent de minachting voor de Raad van Europa. Dat Rusland in Straatsburg van alle lidstaten het vaakst wordt veroordeeld wegens individuele mensenrechtenschendingen, is voor Moskou geen reden om zichzelf tegen het licht te houden maar om halsoverkop een sluiproute te zoeken.

Wat heeft dit Rusland nog te zoeken in de Raad van Europa? Weinig. Maar waarom wordt er dan door de lidstaten geen druk uitgeoefend op Moskou om het lidmaatschap op te schorten, zoals Griekenland deed in 1969 toen er een kolonelsjunta aan de macht was? Omdat het dilemma zich niet zo eenvoudig laat oplossen. Voor Russische burgers, die bij hun eigen rechters met hun hoofd tegen een muur lopen, is Straatsburg een laatste juridische plechtanker. Zonder het Hof zou er nooit een oordeel worden geveld over bijvoorbeeld de mensenrechten in Tsjetsjenië.

Ook als de Doema nog voor het zomerreces een wet aanneemt waarmee Rusland openlijk toont lak te hebben aan de elementaire waarden, moet de Raad van Europa behoedzaam met deze provocatie omgaan. Niet uit angst voor het regime in Moskou maar uit solidariteit met de Russen die wachten op betere tijden. Voor hen is iets beter dan niets.