'Mijn vader nam mijn muziek niet serieus'

Trompettist en componist Markus Stockhausen treedt zaterdag op met het Metropole Orkest. “Natúúrlijk moet muziek ons gelukkig maken!”

Je zou hem bijna over het hoofd zien, vooraan de kopersectie bij een repetitie van het Metropole Orkest: trompettist Markus Stockhausen. Op de lessenaars staat zijn compositie Tanzendes Licht (2007), en pas wanneer hij een solo inzet, met zijn volle, fluwelige toon, valt hij op.

Ook na afloop van de repetitie blijft hij op de achtergrond, als hij wat over instrumenten en mondstukken babbelt met zijn tijdelijke collega’s. „We leren elkaar nog maar net kennen, maar wát een geweldige band is dit”, zegt hij. Morgen spelen ze op het Holland Festival.

Na de repetitie zit Markus Stockhausen (1957), zoon van de haast mythologische avant-gardecomponist Karlheinz Stockhausen (1928-2007), in de kantine van het Muziekcentrum van de Omroep. „Voel je niet beledigd als ik met mijn ogen dicht praat”, zegt hij. „Dat heb ik soms nodig om me te concentreren.”

‘Tanzendes Licht’ is romige symfonische jazz, ‘Symbiosis’ is meer eigentijds gecomponeerd.

„Dat is voor mij geen probleem, maar voor de buitenwereld wel. Het is maar net in welke context een werk ontstaat. Of ik bijvoorbeeld voor een klassiek orkest schrijf, voor een ensemble voor ‘eigentijds’ of voor een uniek jazzorkest als het Metropole Orkest, met musici die schitterend kunnen soleren.

„Ik heb nooit compositie gestudeerd. Ik componeer op basis van mijn eigen muzikale ervaringen. Ik heb speelde in bigbands, bracht klassieke trompetconcerten en popmuziek. En natuurlijk speelde ik jarenlang de muziek van mijn vader. Ik ben vertrouwd met verschillende muzikale talen, en kan daar snel tussen schakelen. Het gaat om goede muziek, en die is er in alle genres.”

U speelt nu alleen nog maar eigen composities. Waarom?

„Voor mijn gevoel herhaalde ik te veel, ook in de muziek van mijn vader. De nieuwe dingen waren toch een variatie op het oude. In 2001 besloot ik er mee op te houden. Het was een moeilijke stap, maar ik merkte snel dat ik artistiek werd uitgedaagd om een eigen taal te zoeken. Toen ben ik pas echt begonnen met componeren.”

U was gedurende decennia één van de belangrijkste uitvoerders van het werk van uw vader. Hoe vatte hij die beslissing op?

„Het was heel moeilijk voor hem, hij accepteerde het niet, en begreep het eigenlijk ook niet. Mijn muziek nam hij niet serieus. Dat maakt me niet uit. Ik begrijp hoe hij denkt: hij is een wetenschapper. Elk nieuw werk moet iets volstrekt nieuws bevatten. Die ambitie heb ik niet, want ik vind dat je je dan voortdurend verwijdert van wat mensen mooi vinden. Ik hield van de muziek van mijn vader, en heb er veel van geleerd, maar nu mogen anderen het spelen.”

Hoe componeert u zelf?

„Met de computer, zodat ik voortdurend kan horen wat ik componeer. Ik gebruik veel toegankelijke, tonale harmonieën, want ik vind dat totaal gecalculeerde, abstracte atonale muziek ons niet gelukkig maakt.”

Moet muziek ons gelukkig maken?

„Ja, natúúrlijk! Muziek moet wel spannend, dramatisch en kleurrijk zijn, maar uiteindelijk moet ze tot verzoening en verrijking leiden, en niet tot vernietiging of depressie. De wereld is al grauw genoeg, dat hoeft de kunst niet te reflecteren.”

Metropole Orkest o.l.v. Jules Buckley met Markus Stockhausen (trompet) en Tara Bouman (klarinet). 25/6, Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam. Inl.: hollandfestival.nl