Liever Frans dan Duits bij financiële zaken

Franse politieke leiders hebben meer financiële ervaring dan hun Duitse tegenhangers. Frankrijk speelt een grotere internationale rol. De Duitse financiële markt is deels naar Londen verplaatst, de Duitse bankiers zijn provinciaal geworden en geven slecht advies. De eigen kiezers gaan voor, schrijft Nicolas Véron.

Een van de meest gedenkwaardige uitspraken uit de financiële crisis is afkomstig van de Duitse bondskanselier Merkel. Zij verklaarde in mei 2010 dat „het in zekere zin een strijd is tussen politiek en markt. We moeten het primaat van de politiek over de markt herstellen”. Dit was misschien een ongewoon grimmige formulering, maar wel een weergave van een wijdverbreide opvatting in Europa. Ordeloze marktbewegingen als de almaar stijgende Griekse schulden worden door politieke leiders overwegend toegeschreven aan speculanten, bijgestaan door hun dubieuze handlangers, de kredietbeoordelaars.

Deze voorstelling van zaken ligt voor de hand, maar is ook misleidend. Ze weerspiegelt de eeuwenlange, ongemakkelijke verhouding in Europa en de VS tussen politieke leiders en financiers, die wisselt van overmatige innigheid tot overmatige vijandschap – en soms beide tegelijk.

Van de antibankiersrevolutie van Savonarola in Florence in 1494 en de afzetting door Lodewijk XIV in 1661 van de Franse surintendant van Financiën Nicolas Fouquet, tot de ondermijning door president Andrew Jackson van de Tweede Bank van de Verenigde Staten in 1833 is dit een rode draad in de westerse geschiedenis. Tegelijkertijd strookt de antispeculantenretoriek niet helemaal met de feiten van de eurocrisis.

De beleggers op de obligatiemarkt worden meer gedreven door angst dan door hebzucht. Het probleem is inmiddels dat te weinig beleggers staatsobligaties uit de perifere eurolanden willen kopen en dat deze ‘kopersstaking’ eerder voortkomt uit politiek-economische onzekerheid dan uit marktmanipulatie door onethische deelnemers in de particuliere sector. Dat wil niet zeggen dat de financiële wereld is gevrijwaard van belangenconflicten of roekeloze gokkerij, alleen vormen deze niet de kern van de huidige crisis.

Merkels schampere opmerking tekende ook de spanningen die de instellingen van de Europese Unie kenmerken. De EU-integratie leidt niet alleen tot een supranationaal besluitvormingsapparaat dat structureel last heeft van zijn democratisch tekort. Ze ontneemt de nationale leiders ook op steeds meer terreinen de instrumenten om in te grijpen, bijvoorbeeld in de financiële markten, die nu hoofdzakelijk door EU-wetgeving worden beheerst en waarop het toezicht steeds meer zal verschuiven naar de Europese toezichthoudende autoriteiten. Om met de politicoloog Ivan Krastev te spreken: op EU-niveau heeft Europa steeds meer beleid zonder politiek en op nationaal niveau politiek zonder beleid. Deze scheve verhouding leidt tot een instabiel klimaat, waarin gemakkelijk ongelukken gebeuren.

De gevolgen zijn zichtbaar in de eurocrisis. Binnen de bestaande context ligt het middelpunt van de EU-besluitvorming bij één land, Duitsland, waarvan de financiële gezondheid sinds mensenheugenis nooit serieus door obligatiebeleggers in twijfel is getrokken. Maar Duitsland heeft geen toonaangevend internationaal financieel centrum meer; het merendeel is naar Londen verplaatst. En het Duitse bankstelsel wemelt van de marktverstoringen, eigenaardigheden en verwevenheden met politieke structuren op lokaal niveau. Daardoor ontbreekt het de meeste Duitse beleidsvormers aan ervaring met crisismanagement. Voor zover ze in dialoog gaan met de financiële sector, wisselen ze overwegend van gedachten met bankiers en niet met beleggers in obligaties. Deze bankiers hebben eigen belangen, zodat hun advies niet bepaald neutraal is.

Kortom, het binnenlandse beleidskader van de Duitse leiders en het collectieve geheugen van hun medeburgers zijn niet bevorderlijk voor hun vermogen om de beproevingen van de huidige eurocrisis tegemoet te treden. Wie de Europese onderhandelingen volgt, zal misschien betogen dat dit deels wordt goedgemaakt door de inbreng van Frankrijk, in de zin dat het Franse ministerie van Financiën meer overzicht lijkt te hebben.

Dit is mogelijk te danken aan de recente herinnering aan de druk van de markt zoals tijdens de Europese muntcrisis van 1992-1993, en aan de ervaring dankzij het voorzitterschap van de Club van Parijs, die de gesprekken van de rijke landen over de staatsschuldproblematiek coördineert. Maar ook een dergelijk compenserend effect lijkt onvoldoende om de kloof te dichten tussen de kwestie die op EU-niveau om een oplossing vragen en de nationale politieke dynamiek waarvan hun oplossing afhangt. De verwarrende publieke uitlatingen door de Europese leiders van afgelopen weken over Griekse schuldsanering, herprofilering, ‘wentelkredieten’ en/of deelname van de particuliere sector hebben een schadelijker marktinstabiliteit veroorzaakt dan een nadelige ratingverlaging ooit tot gevolg had kunnen hebben.

Ter wille van rationele beleidsbeslissingen zou van Europese leiders die op EU-niveau opereren, verwacht mogen worden dat ze rekening houden met alle groepen belanghebbenden die de uitkomsten beïnvloeden. Maar bij de huidige instellingen worden zij aangemoedigd om zich geheel en al op hun eigen kiezers te richten. Zolang dit het geval is, beschouwen de Duitse leiders beleggers in obligaties min of meer vanzelfsprekend als een soort vijandige buitenlandse macht en niet als een groep die op enige manier in de besluitvorming zou moeten worden ingebed. Uit dit oogpunt is de eurocrisis niet minder institutioneel dan financieel. En daardoor is de oplossing des te moeilijker.

Nicolas Véron is verbonden aan de Brusselse denktank Bruegel en aan het Peterson Institute for International Economics in Washington.

    • Nicolas Véron