Liever een reisgids dan een leerboek

In het onderwijs ligt steeds meer de nadruk op presteren en afrekenen. Schadelijk voor de motivatie én de kennis van scholieren, concluderen een Amerikaanse en een Nederlandse onderzoeker.

Nu hoef ik mijn hele leven geen Frans meer te spreken. Dat hoorde de onderwijsspecialist Deborah Stipek haar dochter zeggen na afloop van een toets die haar kans op toelating tot een gerenommeerde Amerikaanse universiteit zou verhogen. Volgens Stipek (Stanford University School of Education) illustreert het commentaar een fundamenteel probleem in het hedendaagse onderwijs. Haar dochter had geen Frans geleerd omdat ze dan zou kunnen reizen of met mensen uit andere culturen zou kunnen communiceren. Ze wilde puur en alleen een hoge toetsscore behalen om haar voorkeursuniversiteit binnen te komen.

In een commentaar dat Science gisteren publiceerde betoogt Stipek dat het uitsluitend leren voor tests en toetsen voor kinderen schadelijk is. ‘Deze concurrentieslag ontneemt leerlingen het plezier in het leren’, schrijft Stipek. Wetenschappelijke studies laten zien dat tussentijdse toetsjes kinderen kunnen helpen om kennis goed vast te houden. Maar onderzoek toont ook aan dat een exclusieve focus op cijfers en afrekentoetsen funest is voor de intrinsieke interesse die leerlingen hebben voor een onderwerp. En dat gaat weer ten koste van de motivatie van leerlingen op middelbare en lagere scholen. De constatering was voor Science belangrijk genoeg om een persconferentie te verbinden aan Stipeks commentaar.

Volgens hoogleraar onderwijskunde Monique Volman raakt Stipek met haar betoog aan problemen die in het Nederlandse onderwijs evengoed spelen als in Amerika: „Met onze onderwijsvernieuwingen hobbelen wij altijd een paar jaar achter Amerika aan. In Nederland worden de touwtjes nu strakker aangetrokken door meer nadruk te leggen op prestaties en het afrekenen van scholen. In de VS beweegt de slinger zich alweer langzaam de andere kant op.”

Net als Stipek waarschuwt Volman voor een eenzijdige nadruk op prestaties en toetsen. ‘Ik voel me ongemakkelijk als ik zie dat kinderen van elf op huiswerkinstituten worden voorbereid op de Citotoets en jongeren van 17 stoomcursussen volgen voor het eindexamen’, aldus Volman afgelopen vrijdag in haar oratie aan de Universiteit van Amsterdam.

Volgens Stipek is er een vracht aan wetenschappelijk bewijs die laat zien dat eenvoudige onderwijsprincipes kinderen emotioneel bij lesstof kunnen betrekken en zelfs passie kunnen opwekken. De materie moet verbonden zijn met de persoonlijk leefwereld, kinderen moeten actief kunnen meedoen, en zelf nadenken over problemen. De aandacht moet liggen op het verwerven van kennis en vaardigheden en niet op cijfers.

Volman voegt daaraan toe: „Kennis blijft hangen als je die kunt verbinden met wat je weet uit eigen ervaring. En ook als je die kunt toepassen in de praktijk. Geïsoleerde feiten verdwijnen uit je geheugen nadat je examen hebt gedaan. Dáárom klagen bedrijven over de parate kennis van jonge mensen die ze binnenkrijgen. Ze hebben het wel geleerd, maar op het moment dat de jonge werknemers iets moeten toepassen is de kennis alweer verdwenen.”

Niet alle Amerikaanse problemen kunnen op Nederland worden geprojecteerd. „Nederland is gelukkig in alles een gematigd land”, zegt Volman. Scholen zijn onafhankelijk en laten zich niet gek maken door de waan van de dag. Stipek signaleert in Amerika een rat race naar de toegangspoorten van gerenommeerde universiteiten. In Nederland speelt dat probleem minder, omdat de kwaliteit van de universiteiten minder uiteen loopt. Ook problemen met prestatiebevorderende en kalmerende middelen zijn hier volgens Volman minder groot dan in Amerika.

De nadelen van een verscherpte focus op reken- en vaardigheden in Amerika zijn juist weer wel relevant voor Nederland. Op de persconferentie gaf Stipek aan dat het in Californië nauwelijks mogelijk is om een publieke middelbare school te vinden met een serieus lesprogramma voor kunst en muziek. Voor dergelijke vaardigheden is geen tijd op scholen die alle zeilen moeten bijzetten om te voldoen aan de minimumeisen qua reken- en taalvaardigheid die de Amerikaanse overheid stelt sinds 2001 (No Child Left Behind).

Volman: „Ik ben er niet tegen om de prestaties op het gebied van reken- en taalvaardigheid in Nederland fors te verbeteren, maar uiteindelijk zijn dat basisvaardigheden. Een school is er ook om kinderen in te leiden in cultuur. Als je iets meer van de wereld wilt begrijpen, dan heb je ook vakken nodig als geschiedenis en aardrijkskunde.”

Volgens Stipek leren kinderen die alleen maar hun best doen om bij het examen feiten op te hoesten niet „diep” genoeg. „De toekomst van Amerika hangt af van innovatie en creativiteit”, zei Stipek op de persconferentie. „Als opleidingen vooral zijn gericht op het voorbereiden voor [multiple choice] tests, dan bevorderen we niet de innovatieve en kritische manier van denken die we nodig hebben om de problemen van ons land op te lossen.”

Volman betoogt in haar oratie dat het doel van het onderwijs is om de volgende generatie de kennis en vaardigheden bij te brengen die helpen bij het oplossen van de problemen van vandaag en morgen. Actuele vragen helpen om onderwijs voor kinderen relevant en aantrekkelijk te maken. Wat is er te doen aan de opwarming van de aarde? Hoe bouw je een huis? Volman zegt: „Vooral in het vmbo zie je een dergelijke praktijkgerichte aanpak.” Volmans promovendus Annoesjka Boersma toonde aan dat leerlingen bij zorg en welzijn betrokken en gemotiveerd raken als ze een koffieochtend voor ouderen organiseren of een spelletjesdag op de basisschool. De theorie komt dan en passant aan de orde: Wat kan een kind van vijf? Hoe vervoer je iemand in een rolstoel?

Zo’n aanpak hoeft zich niet te beperken tot het vmbo. Volman kent een school waar vwo-leerlingen zelf hun eigen reis naar Parijs moeten organiseren. Ze moeten zelf brieven schrijven en hun hotel boeken. Hun Frans zal vast beter beklijven dan dat van de dochter van Deborah Stipek.