Ik ben trots op mijn overlevingsdrang

Roos Haase werd misbruikt in een pleeggezin. Ze meldde zich bij de commissie-Samson. „Al het dierbare werd mij als kind afgepakt.”

„Sssssst. Kom jij eens hier.” Het heeft iets angstaanjagends als Roos Haase (67) haar vinger op haar lippen legt. Achter haar brillenglazen knijpen haar ogen samen. De lippen vormen een streep. „Zó zei hij het”, zegt zij. „Meestal tikte hij tegen de douchedeur. Niet te hard, want oma lag te slapen.”

‘Hij’ was de vriend van haar pleegmoeder Anna. De man die haar zes jaar lang seksueel misbruikte. Aanvankelijk had het nog wat weg van knuffelen, maar al snel verdween er een hand onder de lakens. De eerste keer dat hij haar verkrachtte – zelf spreekt zij van „gemeenschap” – was Roos tien. Een paar keer per week, tot zij het huis uit vluchtte. „Mijn ontsnapping is een verhaal op zichzelf, maar laat ik stellen dat het niet van een leien dakje ging.”

Roos Haase is een van de vijfhonderd mensen die zich bij de commissie-Samson meldden omdat zij als kind in een tehuis of pleeggezin zijn misbruikt. Wat er met al die verslagen gebeurt weet Roos niet. En het kan haar eigenlijk niet eens zo veel schelen. „Ik heb mij tot de commissie gewend omdat ik het verleden achter mij wilde laten. Er is genoeg moois te beleven, ik wil graag vooruit kijken.”

De moeder van Roos stond haar vlak na de geboorte af. „Het was oorlog, ze ging vreemd, ik kwam niet gelegen”, vermoedt zij. Wie haar biologische vader is heeft zij nooit kunnen achterhalen. „Pas toen ik acht was hoorde ik dat ik geadopteerd was. Er kwam een dame langs met chique handschoenen. We dronken thee, wat we normaal nooit deden.” De medewerkster van de voogdijraad vertelde Roos dat haar echte moeder afstand van haar had gedaan. ‘De mevrouw die naast je zit is niet je moeder.’

Terugkijkend vindt Roos het onbegrijpelijk dat het bij dat ene bezoek is gebleven. De vrouw had anders kunnen opmerken dat zij erg timide was. Dat er nooit klasgenoten over de vloer kwamen. Dat Roos wel erg vaak onder de blauwe plekken zat. Haar pleegmoeder stompte en sloeg haar met regelmaat. Eén keer trok ze haar aan haar haren door de gang. Of haar pleegmoeder op de hoogte was van het seksueel misbruik durft Roos niet te zeggen. „Maar áls ik haar al hints gaf, werden die in ieder geval genegeerd.”

Toen zij in de puberteit kwam bemoeide de vriend van haar pleegmoeder zich met haar bh-keuze. „Hij ging ervan uit dat ik jongens wilde verleiden. Als ik dát maar uit mijn hoofd liet.” Later hoorde ze dat hij haar slipjes naar zijn werk meenam.

In Crisiskinderen. Dagboek van een opvangmoeder, dat in 2008 verscheen, beschrijft Roos haar verdere levensloop. Nog geen seconde van haar jeugd wil zij overdoen, maar zij wist al vroeg dat haar ervaringen ooit van pas zouden komen. In de loop der jaren namen zij en haar man Rob ruim honderd uit huis geplaatste kinderen in huis: baby’s, kleuters, tieners. Sommigen bleven weken, anderen jaren. „Op dit moment hebben wij er twee”, zegt zij wijzend naar het meisje van twaalf en de jongen van tien. „Maar het had net zo goed een huis vol kunnen zijn.”

In de woonkamer van hun nieuwbouwwoning staat een papegaaienkooi. Buiten vliegt een kraai rond. Er lopen negen katten en drie honden door het huis. Wil Roos de zorg die zij zelf tekort kwam nu aan zo veel mogelijk mensen en dieren geven? Zij denkt even na. „Ja. Alles wat mij dierbaar was werd mij als kind afgepakt. Katten, honden, konijnen, parkieten – ze kwamen en gingen aan de lopende band.” Ze zal nooit vergeten hoe haar pleegmoeder háár konijn tijdens het avondeten opdiende. ‘Ruikt lekker hè’, zei ze erbij volgens Roos.

Roos haalt wat papierwerk van zolder: stukken die een onderzoeksjournalist voor haar boven water haalde. Sindsdien weet zij dat haar zorg tot 1953 aan de voogdijraad was toevertrouwd. Vijf jaar later benoemde die instantie haar pleegmoeder tot voogdes. Veel meer was er in de archiefkasten niet over haar te vinden. Het meeste werd vernietigd. Daar heeft zij zich lange tijd over opgewonden.

„Dat arme kind”, zegt Roos als ze aan haar jeugd terugdenkt. Vroeger schaamde zij zich voor zichzelf, nu is zij trots op haar overlevingsdrang. „Een paar jaar geleden overleed mijn biologische moeder”, vertelt ze tegen het eind van het gesprek. Ik zocht haar op, want zij was toch de vrouw die mij gebaard had. In de kist zag ze iemand met dezelfde handen als zijzelf. „Dat vertederde mij.”