'Het tempo moet omhoog om de wereldtop te bereiken'

Het Nederlandse roeien zoekt aansluiting met de wereldtop. In de trainingen ligt de nadruk niet meer alleen op techniek. „We kwamen bij de laatste Spelen kracht tekort.”

De karige oogst bij de Olympische Spelen van 1992 en de WK van 1993 was een breekpunt in het Nederlandse roeien. „Overal ter wereld waren ze aan het professionaliseren, maar wij bleven ver achter”, zegt René Mijnders, technisch directeur van de KNRB. „De roeibond had geen coaches, geen eigen vloot en geen trainingscentrum. We werkten met amateurs en vrijwilligers. Met hulp van NOC*NSF is toen een enorme stap gemaakt. Dat leverde bij de Zomerspelen van 1996 en 2000 weer medailles op.”

De huidige ontwikkeling van het Nederlandse roeien, op weg naar de Olympische Spelen van 2012 in Londen, is volgens Mijnders het best te vergelijken met de situatie van bijna twintig jaar geleden. Niet dat het slecht gaat, maar de prestatiecurve – van dalen in niet-olympische jaren en pieken in olympische seizoenen – is sinds 1992 licht aflopend. De roeibond wil aansluiting vinden bij de wereldtop en krijgt daarbij hulp van sportkoepel NOC*NSF, in het kader van de toptienambitie.

Mijnders, sinds december 2009 technisch directeur, streeft zelfs naar een structurele plek bij de topvijf van roeilanden. Hij strikte met de Italiaan Antonio Maurogiovanni bewust nog een buitenlandse bondscoach, naast de Australiër Dave McGowan en de Brit John Faulkner. „Ik geloof in gedoseerde nieuwe impulsen. Dat voorkomt navelstaren”, zegt hij aan de Bosbaan, waar dit weekeinde de Koninklijke Holland Beker wordt geroeid. „Met beperken tot wat we altijd hebben gedaan, maken we de benodigde sprong niet. We moeten ons in een hoger tempo ontwikkelen dan de rest, anders staan we straks op dezelfde achterstand.”

Mijnders, die zelf bondscoach van Zwitserland was en trainer van de universiteitsploeg van Oxford, pleit voor kruisbestuiving. „Antonio heeft in Italië samengewerkt met Giuseppe La Mura, een oud-roeier die bekendstaat om zijn extreme trainingsopvattingen. Waar wij vier keer 1.500 meter voldoende vonden, liet hij zijn roeiers die afstand veertien keer doen, of twintig. Onze fysiologen geloofden niet in die aanpak, maar La Mura was bepaald niet op zijn achterhoofd gevallen en behaalde goede resultaten. We hoeven zo’n systeem niet te kopiëren, maar enkele elementen zijn heel leerzaam.”

De komst van nieuwe bondscoaches leidde ook tot wijzigingen in de aanpak. „In Australië ligt alles vast, bijna overgeorganiseerd en star. Wij zijn minder gestructureerd dan zij gewend zijn. Hard werk alleen is hier niet genoeg. Nederlandse roeiers willen ruimte, zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. Het beste van wat bij ons past, moeten we bewaren. De keerzijde is dat wij wat meer helderheid, duidelijkheid en vooral discipline goed kunnen gebruiken.”

Mijnders voorzag weerstand van sommige roeiers tegen de methodes van de bondscoaches. „Het was hier en daar wel even wennen, maar dat vind ik ook gezond. Iedereen wil transparantie en duidelijkheid, maar niet de discipline die daarbij komt kijken. Ze willen ook hun vrijheid en flexibiliteit behouden. Ergens tussenin zullen we een match vinden. Wat mij betreft profiteren we nu al van de Angelsaksische invloeden. Misschien hebben we wel te veel aan de Nederlandse kant gezeten.”

Hij kan zich vinden in de vergelijking van het Nederlandse roeien met het voetbal. „Wij willen het nogal eens mooi doen en niet altijd met het beste resultaat als uitgangspunt. Dat is weer die cultuur zonder pure werkers die alleen maar door buffelen. Het moet bij ons een beetje anders, creatiever, intelligenter. De Nederlandse successen zijn gestoeld op efficiëntie, niet op de beste ergometerscores. Maar kracht is ook belangrijk en daarin kwamen we tijdens de laatste Olympische Spelen tekort.”

Mijnders haalde niet alleen roei-ervaring binnen bij de KNRB. Zo helpt VU-bewegingswetenschapper Mathijs Hofmijster de roeiers als ‘embedded scientist’ met technische innovaties. Zijn werk voor de KNRB is onderdeel van het fieldlab, een sportlaboratorium in samenwerking met innovatieplatform InnoSportNL. NOC*NSF steunt de bond met kennis over fysiologie, voeding en mentale begeleiding. Mijnders: „Eerder kwamen wetenschappers vooral naar ons toe met ideeën. Nu staat bij innovatie de vraag uit de sport centraal.”

De technisch directeur vraagt van zijn bondscoaches dat ze nauw samenwerken. In het verleden had elke bondscoach zijn eigen koninkrijkje met roeiers, een arts en een fysioloog. „We kunnen niet steeds een beetje linksaf en dan een beetje rechtsaf. We kiezen nu voor de totaalaanpak, met alle disciplines bij elkaar.”

Mijnders beseft dat het doorvoeren van ingrijpende veranderingen ook risico’s met zich meebrengt. „Daarom zijn we hier twee jaar geleden mee begonnen. We kunnen het ons niet permitteren in een olympisch jaar de voorbereiding te moeten corrigeren. Het internationale deelnemersveld wordt breder en de tijdsverschillen kleiner.”

De roeibond heeft momenteel drie prioriteitsboten: de Holland Acht, de vrouwenacht en de lichte mannenvier. Die moeten zich begin september bij de WK in het Sloveense Bled plaatsen voor de Zomerspelen. Vaak kwam het in het verleden aan op het laatste kwalificatietoernooi, omdat het bij het WK misging. Mijnders verwacht nu echter drie olympische kwalificaties. „Dat is ook nodig, willen we de geplande voorbereiding doorzetten, zonder de druk van geen olympisch startbewijs. We hebben niet de verwachting drie keer goud te winnen in Londen. Maar het is voor geen van de drie boten onmogelijk een gouden medaille te winnen.”