Forse subsidie voor opera en orkest

Berlijn heeft drie grote opera’s die zonder subsidie niet zouden bestaan, en ook ettelijke theaters en bioscopen zouden het zelfstandig niet redden. Berlijn staat niet model voor heel Duitsland, maar een groot deel van de cultuur bij de oosterburen wordt door de overheid betaald.

In ‘het land van de dichters en de denkers’ is bezuinigen op de kunsten een omstreden onderwerp, waarvoor in lang niet alle deelstaten parlementaire meerderheden zijn.

Duitsland wordt federaal geregeerd. Kunstbeleid en de financiering ervan zijn grotendeels gedelegeerd aan de deelstaten. Neem de stad en deelstaat Berlijn. Wie hier in 2010 naar opera, een concert of de schouwburg ging en een kaartje voor dertig euro kocht, kreeg er gemiddeld honderd euro bij, gefinancierd door de gemeente. Dat lijkt veel, maar het culturele aanbod levert de stad ook geld op. Toeristen komen mede voor de kunsten naar Berlijn.

De hoofdstedelijke begroting bedroeg vorig jaar bijna 22 miljard euro. Drie procent (660 miljoen euro) ging naar cultuur. Het grootste deel daarvan – 500 miljoen – was voor directe subsidies. De steun aan cultuur loopt sterk uiteen en wordt door velen als ondoorzichtig ervaren.

Zo werd een kaartje voor de Berlijnse Staatsoper vorig jaar met 248 euro gesubsidieerd. De Volksbühne kreeg per ticket 141 euro subsidie; het Renaissancetheater 25 euro. De subsidie voor de kunsten is in vergelijking met vorige jaren niet spectaculair gestegen of gedaald.

Een kaartje op de zevende rij in de Volksbühne voor de nu lopende productie Die spanische Fliege kost 32 euro. Voor een ticket in de gesubsidieerde bioscoop Babylon Mitte ben je 6,50 euro kwijt. Een bezoek aan de belangrijkste musea van de stad, het Neues Museum en het Deutsches Historisches Museum (DHM), kost tien en zes euro. De regionale en landelijke politiek vinden dat een museum als het DHM voor iedereen toegankelijk moet blijven.

Als alle cultuur in Berlijn naar de wetten van de markt zou worden afgerekend, bleven weinig kunstuitingen over. ‘Hoge’ cultuur wordt sterk gesubsidieerd, de lichte muze krijgt minder geld. Maar het Prime Time Theater in de wijk Wedding kan dankzij een uitgekiend publieksprogramma zichzelf bedruipen, en ook Joop van den Ende’s Theater des Westens en Bluemax Theater, met goedbezochte musicals voor toeristen, krijgen geen subsidie.

Sponsoring heeft in de Duitse cultuur nauwelijks traditie. Een van de uitzonderingen is de Deutsche Bank, sponsor is van de Berliner Philharmoniker. Het mecenaat daarentegen bloeit. Menig ondernemer-miljonair schenkt zijn of haar kunstcollectie op latere leeftijd aan de staat of sticht een privémuseum.

Joost van der Vaart