Elke fout is te veel

Taalfouten in de krant zijn „krassende nagels op een schoolbord”, schreef een lezeres aan ombudsman Andrew Alexander van The Washington Post. In zijn rubriek signaleerde hij een toename van klachten over zulke fouten. Taalfouten tasten de betrouwbaarheid van de krant aan Ik krijg ook veel e-mails van lezers die klagen over slordigheden, verhaspelingen, dubbele of

Taalfouten in de krant zijn „krassende nagels op een schoolbord”, schreef een lezeres aan ombudsman Andrew Alexander van The Washington Post. In zijn rubriek signaleerde hij een toename van klachten over zulke fouten.

Taalfouten tasten de betrouwbaarheid van de krant aan

Ik krijg ook veel e-mails van lezers die klagen over slordigheden, verhaspelingen, dubbele of juist ontbrekende woordjes in de krant.

Zulke missers, hoe klein en verklaarbaar ook, zijn ernstig, omdat ze de betrouwbaarheid van de krant aantasten. In het afgewogen wereldbeeld dat de krant de lezer dagelijks aanbiedt, springen opeens lelijke barsten. Denkwerk blijkt opeens een haastklus.

Lezers van NRC Handelsblad zijn daar bijzonder gevoelig voor. Dat bleek vroeger al uit de populariteit van de taalverhandelingen van columnist J.L. Heldring, die regelmatig een schepnet vol taalfouten uit de eigen krant opviste.

Veel lezers scheppen graag mee – en diep. Zo kapittelde een reeks briefschrijvers de krant om de kop Tv-gastheer met bloemrijk flux de bouche en aangenaam timbre, over wijlen Willem Duys (Media, 3 juni). Een bloemrijk flux de bouche betekent „bloemen spugen”, noteerde een geïrriteerde lezer „die nog ordentelijk Frans heeft gehad op school”. Correct Frans is flux de paroles.

Die lezer heeft gelijk: het was incorrect Frans. Anderzijds, flux de bouche (dat in het vlekkeloze stuk van Henk van Gelder overigens niet voorkwam) is volgens de Grote Van Dale een ingeburgerde Nederlandse uitdrukking. Het zou dan wel erg precies zijn, vind ik, om flux de paroles te gebruiken, een uitdrukking die hier niet gangbaar is.

Opeenvolgende hoofdredacteuren hebben de strijd aangebonden met taalfouten, en de huidige is geen uitzondering. In zijn e-mails aan de redactie hamert Peter Vandermeersch, soms met nauwelijks ingehouden woede, op de noodzaak van correct, helder en fatsoenlijk Nederlands in de krant.

Gaat dat lukken?

Eerst een bittere, algemene waarheid: kranten maken is mensenwerk dat onder grote druk gebeurt – zeker bij een avondkrant. Een editie van NRC Handelsblad wordt voor een groot deel gemaakt tussen 08.00 en 13.00 uur, een tijdspanne van vijf uur waarin tienduizenden woorden haastig over het scherm trekken op zoek naar onderdak.

Dan kan er veel misgaan. Maar er zijn natuurlijk gradaties: kranten kunnen de lat hoog blijven leggen of er een potje van maken.

Bezuinigingen en ontslagrondes maken het er niet beter op. Bij Amerikaanse dagbladen, waar vaak een ware kaalslag heeft plaatsgevonden, staat het aantal copy editors onder druk. Bij TheWashington Post halveerde hun aantal bijna, van 75 in 2005 tot 43 in 2008. Het gevolg, volgens ombudsman Alexander: meer fouten in de krant.

Ook NRC Handelsblad bezuinigt: de redactie wordt verminderd met dertig man. Die krimp treft niet per se eindredacteuren. Maar, zegt adjunct personeelszaken Marcella Breedeveld, „linksom of rechtsom, we maken de krant met minder mensen, dus we moeten hier nog beter op gaan letten”.

NRC Handelsblad heeft daarbij traditioneel een extra probleem, omdat de krant nooit een grote centrale eindredactie heeft gekend. De controlerende (en onzichtbare) functie van eindredacteur was niet erg in trek in een liberale redactiecultuur, die een premie zette op schrijvend initiatief en deelredacties grote autonomie gaf. In plaats ervan groeide het gebruik dat redacteuren bij een deelredactie (Binnenland, Buitenland, et cetera) schrijfwerk afwisselden met redigeertaken aan het bureau.

Dat heeft een groot voordeel: schrijvende redacteuren blijven zo betrokken bij het werk van hun collega’s en bij hun rubriek. Het nadeel is dat een sterke algemene eindredactie, die de hele krant overziet, lang onderontwikkeld bleef. Pas onder hoofdredacteuren Folkert Jensma (1996-2007) en Birgit Donker (2007-2010) – toen de redactie er een site én nrc. next bij had gekregen – werd de centrale eindredactie verzwaard.

Die redactie, nu zeven man, verdient alle lof voor de dagelijkse strijd tegen taalfouten. Chef Friederike de Raat stuurt geregeld overzichten rond van fouten die op het nippertje uit de kopij zijn gehaald. Dat doet ze streng, maar geestig. Onder kopjes als ‘Hoebedoelu?, ‘Leuk gevonden, maar niet goed’ en ‘Letters missing in action’ passeert een legertje van mismaakte woorden en zinnen de revue, van dt-fouten tot onbedoelde humor (‘Bronstijd’ in plaats van ‘bronsttijd’). Voor de goede orde: dit zijn dus fouten die dankzij de eindredactie niet in de krant zijn terechtgekomen.

Nu komt er een nieuwe zwenking aan. De hoofdredactie, legt adjunct Breedeveld uit, gaat de verantwoordelijkheid voor eindredactie weer meer leggen bij de deelredacties. De huidige centrale eindredactie wordt gesplitst. Er blijven vier redacteuren die de voorpagina en de eerste pagina’s van de krant maken. Drie eindredacteuren worden herplaatst bij deelredacties. Een eerder idee om de centrale eindredactie juist te vergroten, stuitte op kritiek van de chefs van deelredacties, legt zij uit, die daar mensen voor zouden moeten afstaan.

De deelredacties moeten het dus meer zelf gaan doen. Dat lijkt contra-intuïtief, maar volgens Breedeveld is het een poging om via een andere weg hetzelfde doel te bereiken: minder fouten. Ook wordt gedacht aan verplichte cursussen voor veelplegers. Per slot van rekening, zegt zij, is het ook de verantwoordelijkheid van iedere redacteur om foutloze kopij in te leveren.

Ja, daar begint het mee. Al blijft een tweede (en soms derde) blik natuurlijk nodig: niemand is onfeilbaar en bovendien, journalisten zijn snel verliefd op hun kopij.

Of het nieuwe systeem werkt, zal de praktijk moeten uitwijzen. Een foutloze flux de paroles is misschien onhaalbaar – maar het moet beter kunnen.