Een sport die zich emancipeert

Sportpionier Pim Mulier liet Nederland in 1891 kennismaken met een sport waarvan het belangrijkste kenmerk is dat de deelnemers met een stok tegen een balletje slaan: hockey. Dat resulteerde in 1898 in de oprichting van de (Koninklijke) Nederlandse Hockey Bond. Ruim honderd jaar later is dit de stand van staken: hockey is met zo’n 230.000 georganiseerde beoefenaars, verspreid over 320 verenigingen, de vijfde sport van Nederland na voetbal, tennis, golf en gymnastiek.

Hockey behoort bovendien met voetbal en golf tot de snelst groeiende sporten. Bijzonder daarbij is het stijgend aantal meisjes dat hockeyt. Waar de ledentallen bij de georganiseerde sporten gemiddeld een verhouding 70 procent man/jongen en 30 procent vrouw/meisje kennen, zijn er bij het hockey veel meer meisjes (ruim 88.000) dan jongens (ruim 49.000) lid van een vereniging. Bij de senioren overtreft het aantal mannen nog wel het aantal vrouwen, maar dat lijkt een kwestie van tijd.

Het is een van de signalen dat hockey een sport is die zich snel emancipeert, in meerdere opzichten. Dat zowel het nationale mannen- als het nationale vrouwenteam al jarenlang tot de wereldtop behoort, heeft daar ongetwijfeld mee te maken. Het is een van de redenen waarom Nederland opnieuw gastland is van de Champions Trophy (voor vrouwen). Een, nu nog jaarlijks, toernooi voor de acht sterkste hockeylanden ter wereld, dat morgen in het Wagener-stadion in het Amsterdamse Bos begint, en voor deze krant aanleiding voor een speciale bijlage die vandaag verschijnt.

Hockey werd oorspronkelijk, net als voetbal trouwens, alleen door de elite beoefend. En het bleef lange tijd een sport voor studenten en academici. De beoefenaren waren, soms wegens hun tongval, dankbaar object voor imitatie. Youp van ’t Hek, telg uit een hockeygeslacht, mag graag de spot drijven met de beoefenaren en vooral de toeschouwers.

Toch is er veel veranderd. Te zeggen dat hockey door de hele bevolking wordt omarmd, zou ernstig overdreven zijn. Maar de term ‘kaksport’ is evenmin op zijn plaats. Ook de middenklasse heeft hockey ontdekt als een breedtesport waaraan het hele gezin plezier kan beleven, omdat fatsoensnormen er dikwijls nog als vanzelfsprekend gelden. Hockey heeft een sociale functie. In de top gaat het financieel soms mis, zoals in 2009 bleek toen het roemruchte Klein Zwitserland uit Den Haag in de rode cijfers belandde. Maar bij de soms grote verenigingen (ledentallen van 2.000 of meer) is sprake van een professionele organisatie, waardoor hun accommodaties veel meer zijn dan een plek die alleen voor hockey wordt gebruikt. Het zijn modellen waarvan de georganiseerde sport in het algemeen kan leren.