Dorp zonder drempels

Hockey is niet alleen populair in villadorpen, ook in volksbuurten. Bondsdirecteur Johan Wakkie over de groei. „Bij de clubs zit een heel sociaal netwerk.”

Vroeger was het de kerk. En het café. Tegenwoordig is het de hockeyclub: de plek in de wijk waar het hek de hele dag openstaat. Waar jongeren spelen, hockeyen, fitnessen of huiswerk maken; waar ouderen naar de fysiotherapeut gaan, fithockey spelen, of na het werk neerstrijken voor een biertje of het avondeten. „De gemeenschap is aan het veranderen”, zegt Johan Wakkie, directeur van de Nederlandse hockeybond (KNHB). „De hockeyvereniging wordt steeds meer een tweede huis. We gaan terug naar de wijk.”

Hij zegt het niet zonder trots. De cijfers die hij kan overleggen, wijzen onmiskenbaar op het gelijk van zijn sport, die onstuimig doorgroeit in Nederland, met nu 230.000 beoefenaars bij 320 hockeyverenigingen. Ter vergelijking: Duitsland heeft 70.000 actieve hockeyers. Volgens de laatste berekeningen van de KNHB lopen er in 2020 in Nederland ongeveer 300.000 mensen rond met een hockeystick in de hand.

Wakkie geeft een voorbeeld: Amsterdam – niet bepaald de eerste stad die je te binnen schiet. Ja, het Amsterdamse Bos, maar dat is het rijke Amstelveen. Intussen maakt de sport ook binnen de stadsgrenzen een opmerkelijke opmars, met jonge clubs als Athena, IJburg en Westerpark, dat vorige maand een nieuw veld opende op het terrein waar voetbalclub Türkiyemspor failliet ging. „Athena is stampvol, IJburg moet nu al van één veld naar vier, Westerpark gaat straks naar 1.500 leden. Terwijl sommige voetbalclubs het moeilijk hebben groeit het aantal hockeyers de komende jaren in Amsterdam met zo’n 6.000.”

De sport dankt zijn populariteit aan veel factoren. Een ervan is dat jongeren, soms aanges<poord door hun ouders, het voetbal de rug toekeren wegens de schop- en scheldpartijen binnen en buiten de lijnen. „De mensen willen gewoon minder ruzie op het veld.”

Maar de hockeyclubs onderscheiden zich nog op een ander terrein: het zijn gemeenschappen geworden die het woord ‘vereniging’ weer letterlijk nemen. „Vijftig jaar geleden speelde ik op straat. Dat kan niet meer. Maar in die tijd was je op je hockey- of voetbalclub doordeweeks helemaal niet welkom.”

De tijd dat een woedende terreinknecht spelende kinderen van het veld joeg is voorbij. Er zijn nu vijftig hockeyverenigingen met buitenschoolse opvang en elk jaar breiden meer clubs uit tot multifunctionele communities met de omvang van een klein dorp, zoals Myra en Pinoké in Amstelveen, Kampong in Utrecht, Cartouche in Voorburg. „Hoe financier je het, als je een groter clubhuis wilt? Met ruimtes voor fysiotherapie, fitness, huiswerkbegeleiding en buitenschoolse opvang. De ouders zijn ook dolblij want hun kinderen zijn na drie keer trainen klaar met hun huiswerk. Hardlopers en wielrenners verzamelen zich op de hockeyclub, zoals bij Schaerweijde [Zeist] al jaren gebeurt met de Boshijgers en de Bostijgers. En ’s avonds is het clubhuis restaurant. Cartouche is het mooiste voorbeeld met tennis, hockey, korfbal, bowls, honk- en softbal. Het hele sociale netwerk zit rond de hockeyvereniging.”

Overigens moedigt Wakkie aan dat ook andere sporten in beweging komen. „Verenigingen moeten uit hun tradities durven komen. Je moet niet meer alleen van je eigen sport uitgaan. Mensen die jarenlang die voetbalclub hebben gerund moeten veranderen. De club is hun café geworden, maar ze moeten jongeren vragen hoe hún café eruit moet zien. Dat heb ik eens meegemaakt bij Leonidas in Rotterdam. Zei de voorzitter van de voetbalclub: mijn dochter runde de bar van de voetbalclub, maar ze is overgestapt naar het hockey omdat bij de voetbalclub niemand meer aan de bar zat na de wedstrijd. Die gingen allemaal naar huis. De doelgroep was totaal veranderd.”

Eén oplossing is meer sporten aanbieden, zoals Kampong, waar leden ook voetbal, tennis, cricket en squash kunnen spelen. „Als je hockey niet meer leuk vindt ga je iets anders doen. Ik vind wel dat je bij dezelfde vereniging moet kunnen blijven. Dat is ook wijkgericht denken.”

Om te beginnen zouden de clubs de accommodatie in eigen beheer moeten nemen, vindt Wakkie. Vooral bij zaalsporten is dat een probleem. „Die clubs zijn afhankelijk van dat ene uurtje dat ze in die hal mogen. Dan ben je geen baas over je eigen omgeving. Als andere sporten slim zijn, beginnen ze ook die communities.”

Hij vergelijkt het met Spanje en Argentinië, waar de sportclub voor de gegoede burgerij als thuishaven fungeert. „Maar dat zijn compound-achtige sportclubs, high level. Dat wil ik in Nederland voorkomen. Er moet geen hek omheen met een bord ‘verboden toegang’. Golf heeft dat nog een beetje. Dat kan niet meer.”

Wat dat betreft is hij nog lang niet klaar. Hij wil van hockey een sport maken die uitstijgt boven de traditionele kringen van hogere inkomens. En een sport die niet meer als ‘wit’ wordt gezien. De bond probeert het wel, aan de onderkant van de samenleving. „We zijn begonnen met hockeyclub Feijenoord. De contributie van de leden wordt betaald door het Jeugdsportfonds. In Utrecht heb je de Zwaluwen Vooruit, bij het Kanaleneiland. Of er barrières zijn? Kinderen van hoogopgeleide Nederlanders sporten bijna allemaal. In andere wijken is dat 40 procent minder, omdat er geen geld bij de ouders is.”

Dat sommige clubs tegen de 400 euro contributie vragen relativeert Wakkie. „Dat is misschien bij grote topclubs. Maar dat is nog niet veel. Als je een kind drie maal per week op de club hebt, 35 weken per jaar, betaalt een kind 1,50 euro per uur. Tennis en golf zijn, inclusief lessen, veel duurder. Voetbal is goedkoper, ja. Maar bij een hockeyclub als Tempo ’34 in Rotterdam-Zuid betalen kinderen 160 of 180 euro. Het Jeugdsportfonds betaalt maximaal 225 euro mee, inclusief materiaal.”

Dat hockey duurder is dan voetbal heeft een reden. „Geen enkele voetbalclub legt zijn eigen veld neer. Een hockeyclub die een eigen kunstgrasveld neerlegt betaalt jaarlijks 30.000 euro afschrijving, exclusief water voor de besproeiing. De gemeenten hebben jarenlang gezegd: kunstgras leg je zelf maar aan, en als dat te duur is ga je maar weer op gras hockeyen. Ik vind dat de gemeente alle basisvoorzieningen moeten neerleggen, zoals ze doen met voetbalvelden, sporthallen en zwembaden. Dan kunnen ze zelf ingrijpen als de sport verandert.”

Wakkie trekt veelvuldig langs de gemeentehuizen om zijn pleidooi kracht bij te zetten. „De meeste gemeenten zijn het wel eens met de stelling dat zij de accommodaties moeten neerleggen, maar door de crisis hebben ze nu het geld niet. Maar Den Haag, Eindhoven en Den Bosch leggen alle nieuwe hockeyvelden al aan.”

Want de sport heeft een luxeprobleem: ruimtegebrek. Kampong, met 2.600 leden de grootste hockeyclub van Nederland, heeft binnenkort liefst negen kunstgrasvelden. Maar ruimte hoeft geen probleem te zijn, stelt Wakkie, zelfs als de gemeenten geen nieuwe grond beschikbaar stellen. „Ik zeg altijd tegen de gemeenten: je moet alleen herschikken.” Als voetbalclubs ook overgaan op kunstgras met kunstlicht hebben ze veel minder velden nodig, rekent Wakkie voor. „Als je als hockeyclub velden nodig hebt, ga je naar een voetbalclub. Een club met zes voetbalvelden kan hetzelfde aantal wedstrijden spelen met vier kunstgrasvelden met verlichting.”

Zo zat Wakkie onlangs om de tafel met Frans van Seumeren, eigenaar van FC Utrecht en voorzitter van VV De Meern, om te praten over de uitbreidingsplannen van de buren van Fletiomare, een club met een wachtlijst van zeshonderd kinderen. „De gemeente had geen ruimte voor nieuwe velden voor Fletiomare. Maar na overleg leverde De Meern een grasveld in voor twee kunstgrasvelden van Fletiomare. De gemeente stemde in met de aanleg van kunstgras voor De Meern, waardoor beide clubs nu vijf kunstgrasvelden hebben en samen alle voorzieningen voor die wijk kunnen aanbieden, met buitenschoolse opvang. De gemeente is ook blij, die hoeft geen nieuwe ruimte vrij te maken.”

Rob Schoof