Dienstverleners zijn nu betrokken bemoeials

Wielrenner en dopingzondaar Thomas Dekker zei bij Knevel & Van den Brink (EO) dat hij met een documentairemaker, die hem anderhalf jaar volgt, een ander gesprek voert dan met een sportjournalist die hem, na de wedstrijd, vijf minuten ondervraagt.

Het resultaat van de intensieve samenwerking met regisseur Geertjan Lassche valt maandag te bekijken in de documentaire Niemand kent mij (EO), maar ongezien heeft Dekker gelijk. Zijn uitspraak deed me denken aan een scène in De keuken van Kok (Niek Koppen, 1998), waarin de PvdA-verkiezingscampagne documentair gevolgd werd. Het campagnekantoor is in rep en roer, want het NOS Journaal komt die middag filmen. Als de cameraploeg even binnenkomt en snel weer vertrekt, ziet het er veel opgeruimder uit.

Documentaires hebben per definitie niet alleen meer verdichting en visie dan een reportage, ze zijn ook minder journalistiek van aard door de langdurige verhouding tussen de maker en zijn object, met alle voor- en nadelen van dien.

Het meest extreme voorbeeld is de zogeheten longitudinale documentaire. Dat zijn films waarin vaak vele jaren later hoofdpersonen of situaties opnieuw vastgelegd worden. De digitale zender HollandDoc24 vertoonde er deze weken een groot aantal, mede naar aanleiding van het VARA-tweeluik van Hans Polak Vervuild, vereenzaamd en verwaarloosd (2000) en De bemoeizorgers (2011).

Vorige week konden we opnieuw zien hoe medewerkers van de Rotterdamse GGD elf jaar geleden huisbezoeken brachten aan sociaal sterk geïsoleerde cliënten. Soms namen ze chocolade en kaneelbeschuitjes mee of schonken honderd gulden voor een nieuw bed. Vaak volgden mannen in witte pakken om de onbeschrijflijke rotzooi op te ruimen.

Een onsterfelijke scène was het loslaten van tientallen muizen in het Kralingse Bos. Die liepen tot voor kort los door het huis van een liefdevolle dame. De kraaien keken goedkeurend toe.

Het is aardig om de muizenmoeder nu terug te zien, omringd door honderden pluchen beesten. Maar het grootste belang van de tweede film is niet het bevredigen van de nieuwsgierigheid van de kijker naar hoe het nu toch gaat met deze en gene.

De samenleving is in die elf jaar nogal veranderd. Vroeger werkten de in het geheel niet moralistische hulpverleners voor diensten met intrigerende namen als ‘crisisdienst verslavingszorg' of ‘afdeling vangnet en advies’. Nu heten ze ‘bemoeizorgers’, hetgeen suggereert dat hun interventies niet meer vanzelfsprekend gevonden worden.

Er wordt minder ‘achter de voordeur’ gekeken en meer gelet op overlast en voor iedereen zichtbare onaangepastheid. Dus buigt hulpverlener Meta van der Schee zich nu ook over de dakloze onder de brug: „I can buy a ticket for you, go back to Poland.” Maar haar betrokken inzet is onverminderd, zolang wij het haar toestaan.