De oliemarkt heeft er een leeuwentemmer bij

Als al het andere niet helpt, spreek dan de reserves aan. De haven van Rotterdam, waar veel Europese oliereserves liggen opgeslagen, krijgt het nog druk met het besluit van de landen van het Internationaal Energie Agentschap (IEA) van gisteren om wereldwijd 2 miljoen vaten per dag uit de strategische oliereserves op de markt te brengen. Gedurende de afgesproken periode van 30 dagen komt dat neer op 60 miljoen vaten.

Dat lijkt weinig, want het IEA schat de dagelijkse mondiale consumptie voor 2011 op 89,3 miljoen vaten per dag. Maar het is in wezen vrij veel. Dat komt niet alleen omdat vraag en aanbod op de oliemarkt zeer nauw op elkaar aansluiten, zodat kleine schommelingen al flinke prijsbewegingen kunnen veroorzaken. Het wegvallen van een deel van de olieproductie van Libië, ter grootte van 1,5 miljoen vaten per dag, heeft volgens de IEA al geleid tot een verlies van 132 miljoen vaten.

De beslissing om de 2 miljoen vaten per dag vrij te geven is ook groot om de symbolische werking. Het geeft aan dat de hoge prijs van ruwe olie, die vlak voor het belsuit van gisteren op 112 dollar per vat lag, volgens de IEA-landen ongewenste effecten begint te krijgen op de wereldeconomie. Daarbij gaat het niet alleen om de terugval van de economische groei in de VS – al lijkt de regering-Obama de drijvende kracht te zijn geweest achter het besluit, en nemen de VS de helft, dus 1 miljoen vaten, voor hun rekening.

Het gaat ook om de voedselprijzen, die mede hoog zijn door de prijzen van energie voor transport en productie, de opkomst van gewassen voor energieproductie en bijvoorbeeld de prijzen van kunstmest. De G20 spraken onlangs af om aandacht te geven aan de hoge prijzen van voedsel, met name ten bate van de ontwikkelingslanden.

Maar misschien nog wel belangrijker is het duurzame effect van de beslissing op de oliemarkt zelf. De Organisatie van olieproducerende en -exporterende landen, de OPEC, kwam eerder deze maand niet tot een akkoord om de productie te verhogen als antwoord op het wegvallen van de oliestroom uit Libië. Met name Iran verzette zich daartegen. Nu is het belang van de OPEC kleiner dan vaak wordt gedacht. De groep produceert slechts eenderde van het wereldtotaal. Maar voor de handel in olie zelf bleef de markt tot nu toe vrij overzichtelijk. Je had de macro-economie, de projecties voor het wereldwijde verbruik – in het jongste IEA-rapport geschat op 95,3 miljoen vaten per dag in 2016, je had OPEC en daarnaast incidenten als oorlogen, politieke strubbelingen of natuurrampen. Nu is daar het IEA bijgekomen.

De 28 aangesloten industrielanden (China en India zijn geen lid) spraken na de oliecrisis van begin jaren zeventig af om drie maanden olieverbruik als strategische reserve aan te houden. Slechts tweemaal is die reserve aangesproken: tijdens de Golfoorlog in 1991 en na de grootscheepse vernieling van Amerikaanse installaties door de orkaan Katrina in 2005. De maatregel van nu heeft echter geen directe aanleiding. Dat maakt dat deze factor op de oliemarkt niet alleen nieuw is, maar ook onberekenbaar. De oliemarkt, die met name door de toetreding van nieuwe speculatieve deelnemers steeds wispelturiger is geworden, zal zich moeten aanpassen aan die werkelijkheid. En wordt er hopelijk iets terughoudender van.

Maarten Schinkel