De Kamer weet nog altijd te weinig, te veel of te laat

‘Parlementaire zelfreflectie’ heeft meer opgeleverd dan gedacht. Hoog tijd voor een sterkere informatiepositie van de Kamer, betoogt

Jan Schinkelshoek.

‘Het parlement kan alles, behalve van een man een vrouw te maken.” Dat kon zelfs het Britse Lagerhuis, de ‘moeder aller parlementen’ niet, zo moest Lord Palmerston tot zijn verdriet constateren. Dat kan de Tweede Kamer ook nog niet. Zelfs niet na de ‘parlementaire zelfreflectie’.

Bijna vier jaar geleden begon de Tweede Kamer met ‘parlementaire zelfreflectie’, een proces waarbij het parlement in de spiegel kijkt en zich afvraagt of het anders, beter kan. Het is een welbewuste poging om weg te breken uit incidentenpolitiek.

Tot vervelens toe had met name de Tweede Kamer te horen gekregen dat ze te veel bezig was met de waan van de dag. Meedeinend met de actualiteit, stortte de Kamer zich in lange reeksen spoeddebatten, Kamervragen en lange slierten moties, niet allemaal to the point.

Dat zou wellicht nog tot daaraantoe zijn geweest, als het niet ten koste ging van het taaie, misschien wel saaie klassieke parlementaire werk: wetgeving en controle, met name op de uitvoering van alles waartoe besloten was.

Ondanks alle scepsis en cynisme, heeft die ‘parlementaire zelfreflectie’ meer opgeleverd dan menig kamerlid verwachtte. Misschien wel dankzij de zelfgekozen bescheidenheid – de aanbevelingen zijn allesbehalve revolutionair – lijkt zich iets van een trendbreuk af te tekenen. Zo blijkt ook uit de ‘Staat van de Tweede Kamer’ die het Presidium vorige maand heeft opgemaakt.

Ja, er zijn nog steeds heel veel spoeddebatten, Kamervragen en moties. Maar er wordt weer serieus werk gemaakt van onderzoek: naar de jeugdzorg, naar het spoor, naar voedselproductie en naar arbeidsmigratie. De herontdekking van de hoorzitting – beter voorbereid, minder uit de losse pols – blijkt prima te werken. Het mondelinge vragenuurtje, het symbool van parlementair hyperactivisme, lijkt zelfs een tikkeltje saai te worden.

Vergis ik me of maakt de Tweede Kamer van 2010 een wat minder overhaaste indruk dan de Kamer van 2006? Al ‘reflecterend’ is na vier jaar de basis is gelegd om verder te gaan en iets te doen aan de achilleshiel van het parlement: de informatiepositie.

Als het gaat om informatie – de vitale grondstof voor beleid, uitvoering en controle – is de Tweede Kamer gebonden aan de regering, preciezer: het overheidsapparaat. Ondanks kleine, niet geheel onbeduidende stapjes ten goede, is de Kamer nog steeds praktisch aangewezen op wat van regeringswege wordt prijs gegeven. Waar macht om tegenmacht vraagt, is het parlement tegenover de regering als gevolg van die afhankelijkheid tot veel te weinig in staat.

Je hoeft geen Kamerlid te zijn geweest om te bedenken wat een ongelijke strijd het is iemand te moeten controleren en tegelijkertijd uit zijn hand te moeten eten. Hoe kun je redelijkerwijs beoordelen of het anders en beter had gemoeten?

Al helemaal voor een Nederlands Kamerlid dat zeer spaarzaam wordt ondersteund. De voorziening van stafmedewerkers is al jarenlang tranentrekkend. Wat kun je met een medeweker voor vier dagen in de week?

Er is zelden sprake van onwil in Vak K. In de regel krijgt de Tweede Kamer wat ze vraagt. Een minister levert maar wat graag. Het grote probleem is dat de Kamer te veel krijgt. Het komt soms op steekwagentjes het Kamergebouw binnen. Hoe door die bomen het bos te zien? Hoe wordt dan informatie op juiste waarde beoordeeld? Dat vraagt om contra-expertise. Hoe groter de overbelading, hoe urgenter de behoefte aan weging en duiding.

Het gaat vooral om het onafhankelijke tegengeluid. Is het zo vanzelfsprekend of onvermijdelijk als een minister het voorstelt?

Dat die zwakke informatiepositie de kracht van parlementair optreden ondermijnt, blijkt bij elke parlementaire enquête opnieuw: de Kamer wist het niet, kon het niet één, twee, drie weten en had onvoldoende gedaan om het te weten te komen.

Voorzichtig is de Kamer er weer over begonnen. Zij probeert tot een samenwerking met wetenschappers te komen, om de feitelijke monopolie van het overheidsapparaat te breken.

Dat is een prima initiatief. Via een goed opgezette, toegespitste samenwerking met universiteiten laat de achterstand zich ongetwijfeld beperken. Maar het is, vrees ik, te weinig om de balans te herstellen. Dat vergt hoe je het ook wendt of keert, een eigen volwaardig parlementair onderzoeks- en informatiebureau. Betere toegang tot wat binnen departementen ligt opgeslagen, lost het fundamentele probleem – afhankelijkheid van de regering – niet op.

Nee, het parlement zal iets voor zichzelf hebben te organiseren. En de Kamer behoeft niet onmiddellijk te denken aan zoiets als wat het Amerikaanse Congres er op na houdt, om zichzelf iets meer speelruimte te verschaffen.

Ja, dat kost een lieve cent. Maar een goed functionerend parlement is het waard – en verdient het ruim terug. Ook al kan het dan nog steeds niet van een man een vrouw maken.

Jan Schinkelshoek (CDA), tot 2010 lid van de Tweede Kamer, was een van de initiatiefnemers voor de ‘parlementaire zelfreflectie’.