Centrale zwarte lijst voor sportclubs

Sport- en scoutingclubs mogen gegevens gaan uitwisselen over vrijwilligers die ze verdenken van ontucht. Op een zwarte lijst, die zal worden bijgehouden door de Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV), komen namen van mensen die seksueel misbruik hebben gepleegd, maar ook vrijwilligers die een stap te ver zijn gegaan in hun contacten met kinderen. Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) heeft daar toestemming voor gegeven.

In Nederland zijn ruim 4,5 miljoen vrijwilligers actief. Ongeveer 2,2 miljoen van hen werken met kinderen, van wie 600.000 bij sportverenigingen. Bij sportkoepel NOC*NSF komen jaarlijks tachtig tot honderd meldingen van seksuele intimidatie binnen.

Oud-minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin (CDA) had de NOV in 2007 al gevraagd een zwarte lijst op te stellen. Het CBP gaf toestemming voor zo’n registratie als de NOV, Scouting Nederland en NOC*NSF allemaal dezelfde gedragsregels en protocollen zouden invoeren.

Er staan nog geen namen op de gezamenlijke lijst. Dat zal de komende maanden en jaren gebeuren. Volgens bestuurslid Marco van Westerlaak van NOV is de zwarte lijst een van de vele maatregelen die vrijwilligersorganisaties moeten treffen om misbruik te voorkomen. „Het belangrijkste is dat iedereen in elke vereniging elkaar aanspreekt op verkeerd gedrag. Dit doen we wel, dat doen we niet.”

Toch beschouwt Van Westerlaak de toestemming voor de lijst als een „mijlpaal”. „Het is heel triest als er weer eens bekend wordt dat iemand een kind heeft misbruikt, terwijl hij al elders was weggestuurd voor hetzelfde vergrijp.”

Er is bij vrijwilligersorganisaties volgens Van Westerlaak altijd sprake van waakzaamheid wanneer ontucht bekend is geworden in de omgeving. In Amsterdam zijn de vrijwilligersorganisaties er nu erg mee bezig, zegt hij, door de onthullingen over zedenverdachte Robert M., die bij kinderdagverblijven in de hoofdstad werkte.

Het is niet verplicht voor vrijwilligersorganisaties om nieuwe vrijwilligers te vragen naar een Verklaring Omtrent het Gedrag. Die krijgt iemand alleen als hij nooit ergens voor is veroordeeld. De NOV beveelt wel aan dat organisaties zo’n verklaring eisen maar stelt ook dat dat te weinig preventief effect heeft. Zo had Robert M. bijvoorbeeld ook een Verklaring Omtrent het Gedrag, omdat hij in Nederland nog nooit ergens voor was veroordeeld.