Brahma zag dat het fout zat: water werd stof

Aan de Indus is een biografie gewijd; de machtige Leeuwenrivier is nu bij de monding maar een stroompje.

Het werd een kritisch epos over hoop en teloorgang.

Bij het Pakistaanse Attock komt de rivier Kabul, bruin van het Afghaanse slijk, uit in de Indus, ijsblauw van het smeltwater uit de Tibetaanse bergen. Nadat ze zijn samengekomen vloeien de bruine Kabul en de blauwe Indus een paar honderd meter naast elkaar verder. Pas als ze het rode zandstenen fort op de oever gepasseerd zijn lost het bruin op in het blauw. Dit strategisch gelegen fort is vooral bekend omdat het de gevangenis was van president Zardari, toen hij beschuldigd werd van corruptie (de processen zijn nog altijd niet gevoerd). Oud-premier Sharif stond er terecht nadat generaal Musharraf hem met een staatsgreep had afgezet.

In Attock komen duizenden jaren aan veroveringen bijeen. De Perzische koning Darius liet vanaf dit punt de Indus verkennen om India te kunnen inlijven in zijn rijk. Alexander de Grote trok er doorheen toen het zijn beurt was om India te veroveren. Later volgden onder anderen de Afghaanse sultan en jihadist Mahmud (elfde eeuw) en de Mogolkeizer Babur (16de eeuw). Baburs kleinzoon Akbar liet het fort bouwen om het Mogolrijk te beschermen tegen Afghaanse invallen. Volgens de legende noemde hij het Atak (Obstakel), wat later Attock werd. In de 19de eeuw, nadat het fort korte tijd in handen was geweest van de sikhs, probeerden de Britten van hieruit juist Afghanistan te veroveren. Het eindigde meerdere malen in een bloedige nederlaag.

Alice Albinia (1976) rijgt al deze tijdperken aaneen aan de hand van een reis langs de Indus. In De Indus. Biografie van een rivier begint Albinia bij de monding in de Arabische Zee, bij de miljoenenstad Karachi, en reist ze terug in de tijd tot de bron in Tibet. De rivier die India zijn naam gaf, en waar het hindoeïsme ruim drieduizend jaar geleden zijn oorsprong vond, ligt sinds de afscheiding in 1947 vrijwel geheel in Pakistan.

De Indus is een boek over teloorgang. Van de rivier zelf, die opdroogt als gevolg van slecht doordachte irrigatieprojecten, maar vooral van de culturele en religieuze rijkdom die het huidige Pakistan in de afgelopen achtduizend jaar gekend heeft. En ten slotte gaat het over de teloorgang van die geschiedenis zelf, want, zo merkt Albinia op: veel Pakistanen zijn niet bijster geïnteresseerd in de gebeurtenissen in hun land van voor de komst van de islam. Het leidt ertoe dat ze tijdens haar reis vaak op zoek moet naar die ene goede ziel die zich vrijwillig over een verkruimelend heiligdom ontfermt.

Hoewel het boek veel reden tot somberheid geeft, is het geschreven met een aanstekelijke geestdrift. De auteur maakt een voettocht in het spoor van Alexander, klautert over rotsen om gravures van vroegere beschavingen te herontdekken, reist in boerka door het land van Al-Qaeda en maakt een omweg van 4.000 kilometer om van Pakistaans Kashmir naar de Indiase kant te komen.

Albinia heeft een opmerkingsgave die ook lezers die al goed thuis zijn in Zuid-Azië kan verrassen. Over het ontstaan van Pakistan na de splitsing van India schrijft ze: ‘Hier riskeer je je leven door de godsdienst af te wijzen en je te laten verleiden door het zielloze solipsistische materialisme van het Westen – het is een ontkenning van de offers die je ouders en grootouders hebben gebracht door uit India te emigreren.’ Dat Pakistaan zijn vrijwel automatisch betekent dat je moslim bent, dat andere smaken uitgesloten zijn, was bekend. Maar dat de grote vroomheid van bijna alle Pakistanen mede voortkomt uit respect voor het leed van de vorige generaties, is scherp gezien.

Die andere smaken zijn er vóór de stichting van het Land van de Zuiveren (Pak-i-stan) volop geweest. De Swat-vallei bijvoorbeeld, waar moslimextremisten in 2007 met goedkeuring van de regering de shari’a invoerden, is ruim 1.600 jaar boeddhistisch geweest. Chinese pelgrims reisden in de 7de eeuw vijftienduizend kilometer om de geïsoleerde vallei te bezoeken.

Vlak buiten de hoofdstad Mingora, waar in 2008 dagelijks ‘Amerikaanse spionnen’ op het centrale plein werden opgehangen, en waar het leger een jaar later met een bruut offensief een miljoen burgers op de vlucht joeg, liggen de restanten van een belangrijk boeddhistisch heiligdom. Tenminste, dit was het geval toen Albinia de plaats bezocht, vóór 2007. Ze trof er een grote diversiteit aan invloeden: ‘lotusbloemen uit India, Korinthische pilaren uit Griekenland, zuilen uit Persepolis in Perzië, Romeinse cupido’s.’

In de huidige tijd zijn er waarschijnlijk geen religies te vinden die sterker verschillend beoordeeld worden dan het boeddhisme en de islam, betoogt de auteur, maar in de omgeving van de Indus hebben ze intensief met elkaar in contact gestaan. Toen de shi’ieten in de 9de eeuw het Afghaanse Bamiyan bereikten, vereerden ook zij de reusachtige boeddhabeelden die de Talibaan in 2001 opbliezen.

Ook het hindoeïsme, dat is ontstaan langs de oevers van de Indus, is nu bijna geheel uit Pakistan verdwenen. De Rig Veda, de ruim drieduizend jaar oude Sanskritische tekst, is een lofzang op de natuur, waarin de Indus centraal staat.

De hindoes die na de scheiding in 1947 zijn achtergebleven in Karachi leiden een marginaal bestaan. Ze worden getolereerd omdat ze de riolen schoonmaken, werk dat voor moslims verboden is. Tegenwoordig kunnen hindoefundamentalisten in India maar nauwelijks verkroppen dat de Indus niet meer van hen is.

Zoals de verscheidenheid in religie verloren ging, zo tragisch is ook het lot van de rivier zelf. De ooit machtige Leeuwenrivier is bij de monding nog maar een stroompje, het gevolg van de enorme irrigatieprojecten die de Britten hebben aangelegd in de provincie Punjab. Opeenvolgende Pakistaanse leiders hebben na de onafhankelijkheid het aantal grote dammen alleen maar uitgebreid, vaak ten behoeve van landbouwgrond voor het leger. India heeft een aantal toestromende rivieren afgedamd, de Chinezen hebben een waterkrachtcentrale gebouwd bij de bron in Tibet. Was de Punjab vroeger bedekt met een woud vol tijgers en neushoorns, nu heeft op veel plaatsen het stof de overhand. De sikhs die een pelgrimage maken naar de geboorteplaats van hun goeroe kunnen geen heilig bad meer nemen in de rivier, maar nemen als aandenken stof mee terug naar India.

Zie eens hoe jullie de rijkdom van de Indus laten verkommeren, terwijl jullie ruzie maken, maakt Albinia de Pakistanen duidelijk. Maar wat uit haar boek ook blijkt, is dat Pakistan meer is dan een groeiende groep moslimextremisten en een corrupt leger met een onbekend aantal atoombommen. Dat is een boodschap die het Westen zich ter harte kan nemen. Niet dat Amerikaanse generaals door dit boek opeens de Pakistaanse ziel zullen begrijpen, maar ze mogen best weten hoe rijk de cultuur is van het land waarmee ze al zo lang een uiterst moeizame relatie hebben.

Alice Albinia: De Indus. Biografie van een rivier. Vert. Arthur de Smet. Bezige Bij, 496 blz. € 27,50