Zelfdestructie van een wonderkind

Dekker kan vanaf 1 juli weer terugkeren in het peloton na een schorsing van twee jaar.

In ‘Schoon genoeg’ vertelt hij tot in detail hoe zijn wereld instortte.

Hoe diep moet de biechtende wielrenner door de knieën? Met een verhaal over eenmalig gebruik van het verboden eiwithormoon epo kwam de Duitse topper Erik Zabel in 2006 nog wel weg, maar Thomas Dekker drie jaar later niet meer. Na een dopingschorsing van twee jaar gaat het voormalig wonderkind van het Nederlandse wielrennen daarom een stap verder. Hij presenteert vandaag in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam een boek (Schoon genoeg) en een EO-documentaire (Niemand kent mij, maandag 27 juni op tv) over zijn veelbelovende carrière én zijn dopegebruik. In de hoop op een nieuwe kans als renner, wie weet in de opleidingsploeg van het Amerikaanse Garmin.

„De ambities die ik als jonge renner koesterde hebben me tot de verkeerde keuze gebracht: doping”, bekent Dekker (26) in de inleiding van zijn boek. „Ik heb er spijt van en de straf die de UCI [internationale wielerunie, red.] me voor mijn vergrijp heeft opgelegd, was zwaar. Maar ik heb de twee jaar verbanning, hoe zwaar die me ook is gevallen, als terecht ervaren: wie zondigt, moet boeten. Ik hoop dat mijn verhaal jonge renners voor een verkeerde keuze zal behoeden. De verlokkingen van roem en geld kunnen je verblinden. Maar alleen hard trainen en alles over hebben voor je sport leiden naar eerlijke topprestaties, prestaties die je niet dwingen om weg te kijken als je voor de spiegel staat. Doping is een dwaallicht.”

Dekker vertelt in Schoon genoeg tot in detail hoe op 1 juli 2009 zijn wereld instortte. Fraaie successen als beginnend prof: eindzege in Tirreno-Adriatico en de Ronde van Romandië, uitblinker in de Tour van 2007 en de klassiekers in 2008. Lucratieve contracten, dure auto’s, huis in het Italiaanse Lucca. Een serieuze kink in de kabel, toen de UCI aan de Raboploeg in vertrouwen meldde dat Dekker afwijkende bloedwaarden had, dat hij „99 procent verdacht” was? Het leidde tot een crisis en een breuk in augustus 2008. Maar het seizoen erop vond hij bij Silence-Lotto weer de weg omhoog. Derde in de slottijdrit van de Ronde van Zwitserland. Schoon, naar eigen zeggen en volgens zijn ploegleiding. Tot dat ene telefoontje van de UCI, vlak voordat hij wilde afreizen naar de start van de Tour in Monaco. „Je bent positief getest op dynepo.” Oude test, uit 2007.

Voor hem geen ellenlange juridische strijd, zoals eerder Jan Ullrich of Alejandro Valverde. Na een mislukte bekentenis over eenmalig gebruik sluit Dekker aan in een lange rij van zondaars die doping toegeven. Zonder het spektakel van spijtoptanten als Jörg Jaksche, Floyd Landis of onlangs Tyler Hamilton, die alles en iedereen meesleepten in hun eigen val. „Ik weet welke Nederlandse en buitenlandse renners epo gebruikten”, stelt Dekker. Openhartig wil hij in zijn boek alleen zijn over zichzelf. Daarbij laat Dekker in het midden of hij tegenover het Wereldantidopingagentschap meer openheid van zaken heeft gegeven, zoals van ‘herintreders’ wordt verwacht.

Mateloos, typeert Dekker zichzelf in het boek. Mateloos hard trainen als junior, achter de brommer van vader Bart, die vanmiddag het eerste exemplaar van het boek krijgt uitgereikt. Mateloos pijn verbijten, zoals die keer dat hij alle tanden uit zijn mond viel maar toch door fietste. Schitterende successen, schelmenstreken en de zus van Ivan Basso. Maar, geeft hij toe, „mijn mateloosheid heeft ook een zelfdestructieve kant”. Zoals bleek na zijn schorsing, toen Dekker alle remmen losgooide in het uitgaansleven van Ibiza, Lucca, Milaan en Florence. Liefst veertien kilo kwam hij aan.

Dekker raakte tot drie keer toe zijn steun en toeverlaat kwijt. In 2004 overleed oud-renner en bondscoach Gerrie Knetemann. Zijn volgende baken, de Italiaanse trainer Luigi Cecchini, heeft een dubieuze reputatie in de wielerwereld. En eind 2007 stopte Michael Boogerd, met wie Dekker in zijn laatste jaren een bijzondere band had. Is het toeval dat hij zijn dopebekentenis nauwgezet plaats in de tijd, in de uitloop van het seizoen 2007? „Ik twijfelde over mijn fysieke toestand, nam een beslissing die ik duur heb moeten betalen.”

Dekker begon als profrenner in 2005. Jonge renners hadden in die tijd de grootste moeite om zich staande te houden in de „haaienvijver”, zoals toenmalig Rabo-directeur Theo de Rooij het noemde. Dekker stelt in Schoon genoeg dat hij om zich heen wel „opgevoerde motortjes” zag, die „van alles gebruikten”. Zelf houdt hij zich aanvankelijk aan de lijn van de Raboploeg, waarvoor hij achteraf louter waardering heeft. Uitzondering vormt oud-renner en ploegleider Erik Dekker, die op weinig warme woorden kan rekenen. Genadeloos is hij over zijn voormalige manager Jacques Hanegraaf. „Een wolf in schaapskleren.”

Is dit boek het begin van de weg terug, kan Dekker ooit weer de mateloosheid terugvinden in training en opoffering? „Mijn jongensdroom – ik hoop hem op 1 juli 2011 voort te zetten”, schrijft hij. „Met een schone lei en met een schoon lijf. En sterker dan ooit.” Amen.