Wilders, neem een voorbeeld aan Gerard Reve

Vandaag doet de rechtbank uitspraak in de strafzaak tegen Geert Wilders.

De PVV-leider ziet de vrijheid van meningsuiting niet als recht, maar als een privilege.

Vandaag oordeelt de Amsterdamse rechtbank over de strafbaarheid van Geert Wilders’ uitingen. Los van de uitkomst van dit proces is het interessant om eens stil te staan bij de houding van Wilders in dit proces over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting. Met die vrijheid is het in ons land beroerd gesteld, volgens de politicus: „Het rechtssysteem in Noord-Korea is nog beter dan dat in Nederland”. Mocht de PVV-leider vandaag worden veroordeeld, dan hebben miljoenen mensen „terecht geen vertrouwen meer in de rechterlijke macht”, aldus Wilders. De houdbaarheid van de rechtsstaat staat of valt in deze opvatting met de uitkomst van zijn eigen proces.

In schril contrast tot deze dramatiek staat de proceshouding van Gerard Reve in het zogenaamde ‘Ezelproces’ dat 45 jaar geleden tot een vrijspraak leidde. De schrijver werd vervolgd wegens godslastering: in Dialoog, tijdschrift voor homofilie en maatschappij had Reve uiteengezet hoe hij de liefde zou bedrijven met God wanneer deze als ezel op aarde zou terugkeren. In zijn laatste woord voor de rechtbank zette de auteur uiteen dat deze vervolging hem zeker „tijd, energie, ongerief en ergernis” kostte – „maar, Mijnheer de President, ik meen dat het ongerief (...) toch wel bitter weinig met zo iets als onderdrukking van de vrije meningsuiting van doen heeft”. Het was immers ook weer niet zo dat je in Nederland jaren in een strafkamp werd gezet voor zulke uitingen, zei Reve, dus eigenlijk viel het allemaal best mee. Met deze zaak was nog niet de rechtsstaat zelf in het geding: „ik prijs mij gelukkig dat ik in Nederland woon, waar ik terecht sta onder de overvloedige bescherming die de wet van een moderne, beschaafde rechtsstaat mij biedt.” Het verschil met Wilders – die met veel gevoel voor drama spreekt over een politiek proces à la Johan van Oldenbarnevelt – kan haast niet groter.

Terwijl Reve de rechtsstaat op zich niet in twijfel trok kwam hij wél fel in het geweer tegen het wetsartikel dat godslastering verbiedt, artikel 147 Wetboek van Strafrecht. Hij toonde zich vooral geërgerd over lieden die zijn stukken letterlijk namen en blijkbaar geen enkel benul hadden van literatuur. Zij hadden met deze wet een troef in handen om hun kleinburgerlijke opvattingen aan de rest van de samenleving op te leggen. Het verbod op godslastering was dan ook onderwerp van veel discussie rondom het Ezelproces in de jaren 60. Veel commentatoren vonden dat het wetsartikel uit de jaren 30 uit de tijd was, nu de samenleving snel veranderde: „Deze wet zou nu onmogelijk meer door het parlement komen”, luidde één van de commentaren. Anno 2011 kunnen we constateren dat het desondanks heel moeilijk is om het artikel weer úít het wetboek te krijgen.

Gaan we terug naar Wilders dan zien we dat hij wel de rechterlijke macht en de rechtsstaat de maat neemt, maar zich niet waagt aan principiële kritiek op de specifieke wetgeving waarop zijn vervolging is gebaseerd (in dit geval artikel 137c/d Wetboek van Strafrecht). De politicus schreeuwt dan wel moord en brand over zijn eigen vervolging, in 2005 ondertekende zijn partij nog een motie die de autoriteiten opriep om meer werk te maken van de strafrechtelijke aanpak van haatuitingen. Tegenover een onbeperkte uitingsvrijheid voor zichzelf pleit Wilders juist voor het beperken van de vrijheid van meningsuiting van zijn tegenstanders, zoals het verbieden van de Koran en het aanpakken van radicaal-islamitische uitingen en antisemitisme. Diezelfde hypocrisie zien we terug bij sommige orthodoxe gelovigen, die de wet op godslastering koste wat kost willen behouden maar zelf de vrijheid opeisen om homo’s te beledigen. Vrijheid van meningsuiting wordt steeds meer gezien als ‘mijn privilege’ in plaats van een recht dat juist geldt voor opvattingen die men verafschuwt. Het is in zo’n klimaat niet verwonderlijk dat de hoeders van diezelfde vrijheid – de rechters – onder vuur komen te liggen: zij hebben de ondankbare taak om deze vermeende ‘privileges’ af te wegen tegen andere rechten en belangen. We kunnen dan ook beter – net als Reve – in alle nuchterheid de pijlen te richten op de merites van de wetgeving over uitingsdelicten, in plaats van op de rechtsstaat zelf. Die is er sinds 1966 zeker niet minder beschaafd op geworden.

Marloes van Noorloos is promovenda aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen van de Universiteit Utrecht. In december 2011 verschijnt haar proefschrift over haatuitingen.