Wie niet luistert, wordt gehangen

Of hij nu bevelhebber was in St Petersburg of op de Krim, ‘kozak’ in de Kaukasus of balling in Constantinopel, Peter Wrangel zorgde voor zijn manschappen, mits ze deden wat hij wilde.

Anthony Kröner: The White Knight of the Black Sea. The Life of General Peter Wrangel.Leuxenhoff Publishing, 428 blz. € 42,50

Toen generaal Pjotr Nikolajevitsj Wrangel in 1928 op 50-jarige leeftijd aan tuberculose overleed, pleegden enkele officieren, die in de Russische burgeroorlog onder hem hadden gediend, meteen zelfmoord. Zo groot was hun toewijding aan hun bevelhebber. Zo diep was hun respect voor een militair die het als zijn plicht zag ook na de nederlaag van de Witte legers in 1921 voor zijn manschappen te blijven zorgen.

Wrangel was een van de beste militairen uit de Russische geschiedenis. In de Eerste Wereldoorlog maakte hij een bliksemcarrière in het tsaristische leger en vanaf oktober 1917 streed hij tegen de bolsjewieken. Zijn strategisch inzicht was groot. Zijn eergevoel ook. Hij hield van orde en tucht. Zo duldde hij niet dat zijn manschappen plunderden en moordden als ze een stad op de vijand hadden veroverd. Zij die zich niet aan de regels hielden, werden zonder pardon opgehangen.

Tot voor kort kon je alleen meer over Wrangel te weten komen uit diens spannende memoires, maar een serieuze biografie bestond niet. In die leemte heeft de Haagse Rusland-historicus Anthony Kröner nu voorzien met zijn The White Knight of the Black Sea. The Life of General Peter Wrangel. Het boek geeft een fascinerend inzicht in de chaos van de Russische burgeroorlog, die slechts op het nippertje door de bolsjewieken is gewonnen. Die oorlog beschrijft Kröner als een komen en gaan van kleine legertjes van soms maar enkele tienduizenden militairen. Als een ongeregeld zooitje verplaatsten ze zich in een onmetelijk landschap, op zoek naar het gevecht.

Charles de Gaulle

Kröner onderstreept het bijzondere van Wrangel door hem met Charles de Gaulle te vergelijken. De Gaulle was liaisonofficier van de Fransen bij de Poolse legers die in 1920 tegen de bolsjewieken in Polen vochten en beschikte over eenzelfde onverstoorbaarheid en minachting voor onbetrouwbare politici, terwijl beiden als het er op aankwam zelf op een briljante manier politiek wisten te bedrijven.

Een voortschrijdende onenigheid met opperbevelhebber Denikin, die aan de lopende band verkeerde beslissingen nam, leidde er begin 1920 toe dat Wrangel zijn bevelhebberschap neerlegde en zich terugtrok in Constantinopel, dat inmiddels een centrum van Russische ballingen was. Maar in april van dat jaar keerde hij, na het aftreden van de ijdele Denikin, op verzoek van zijn medegeneraals naar zijn troepen terug en werd hij de leider van de Krim, waar de laatste Witte troepen zich hadden verschanst.

Kröner beschrijft het leven van Wrangel van de wieg tot het graf. Die wieg stond in het huis van een oude familie van Baltische baronnen, die in enkele generaties worden opgediend. Door dat laatste komt de biografie een beetje traag op gang. Vooral omdat Kröners eerste hoofdstuk zo smakelijk begint met het beschrijven van de algemene verslagenheid na Wrangels dood. Ook mis je soms een wat uitgebreidere beschrijving van de gebeurtenissen in het kamp van de tegenpartij, waar Trotski bezig is zijn eigen zooitje ongeregeld tot een hecht leger te smeden.

Maar vooropstaat dat het Kröner is gelukt uit de zee aan materiaal een mooi portret van een dappere, buitengewoon intelligente officier te schetsen, die het liefst aan het hoofd van zijn manschappen ten strijde trok en wiens enige liefhebberij schieten was.

Kozakkenleger

Aan het begin van de burgeroorlog trok Wrangel met zijn kozakkenleger door de noordelijke Kaukasus en behaalde de ene overwinning na de andere. Sinds die tijd liep hij in een tsjerkeska, een lange kozakkenjas met opgenaaide borstzakjes voor patronen. Dat uniform trok hij de daaropvolgende jaren niet meer uit.

Toen in 1920 de Polen een wapenstilstand met de bolsjewieken sloten, waardoor die zich geheel op de in Zuid-Rusland verschanste Witten konden storten, staakten de Fransen de financiering van de Witte legers. Daarmee was de oorlog in feite beslist. Wrangel zou dat altijd als verraad blijven zien.

Hij ging opnieuw naar Constantinopel, waar hij op een motorjacht in de haven woonde en zich inzette voor het welzijn van zijn manschappen. In uniform mocht hij de wal niet op. Toen zijn schip op een dag door een Italiaanse stoomboot uit het door de bolsjewieken bezette Batoemi werd geramd en zonk, schrok de hele Russische emigrantenwereld op. Door een toeval waren Wrangel en zijn vrouw niet aan boord. Zeker weten doet Kröner het niet, maar veel wijst erop dat het een aanslag was van de bolsjewieken.

Wrangel, die eind veertig was, ging met pensioen en sleet zijn dagen in Servië. Maar ook daar bekommerde hij zich om zijn manschappen. Zo probeerde hij hen in Oost-Europa als legereenheid bijeen te houden, voor het geval het regime van de bolsjewieken alsnog instortte. Maar de regeringen van die landen wilden dat niet, omdat dat hun betrekkingen met de bolsjewieken kon schaden.

Een jaar voor zijn dood verhuisde Wrangel naar Brussel, waar hij met zijn familie en wat bedienden in een veel te klein huis woonde. De tsjerkeska verwisselde hij voor een burgerpak en hij begon aan zijn memoires. Eigenlijk was zijn leven voorbij. De dood moet voor hem dan ook een verlossing zijn geweest. Bij zijn begrafenis in Belgrado vormden kozakken een honderden meters lange erehaag.