Wat deze burgemeester niet zei over zijn prachtige Amsterdam

De mevrouw met het hoge kapsel op de vierde rij in de aula van de Universiteit van Amsterdam sperde haar ogen open. Het volgende moment leek ze aandachtig de vloer te bestuderen. Met een schok richtte ze zich weer op. Langzaam zakte haar hoofd toen weer naar rechts, tegen de pilaar – de ogen sereen gesloten.

Ze had het opgegeven, wakker blijven bij het verhaal dat burgemeester Eberhard van der Laan van Amsterdam aan het houden was.

Het was de Amsterdamlezing. Die was georganiseerd door Paul Scheffer. Hij bekleedt de Wibautleerstoel voor grootstedelijke problematiek.

Amsterdam maakt kans op een nieuwe Gouden Eeuw, zei de burgemeester. In dit eerste jaar van zijn burgemeesterschap had hij veel buitenstaanders gesproken over wat ze vonden van de stad – niet de buitenstaanders die wonen in Slotervaart of de Bijlmer. De burgemeester had veel chiquere buitenstaanders op het oog: Indiase en Chinese expats.

Ze waren allemaal lovend. Amsterdam was een kleine wereldstad. Daarin wilden ze graag wonen.

Nog maar kort geleden dacht iedereen dat Amsterdam op sterven na dood was. De bevolking trok weg, naar de Vinexwijken in Almere. Daar kwam internet nog bij. De noodzaak van nabijheid viel weg.

Het tij keert, zei de burgemeester. Het bevolkingsaantal neemt weer toe. Tegen de wetten van de economische crisis in kent Amsterdam een behoorlijke groei.

Weliswaar bevat de stad bijna geen industrie meer, maar in Amsterdam worden ideeën bij elkaar gebracht. De twee universiteiten hebben een grote aantrekkingskracht. De creatieve klasse voelt zich in Amsterdam behaaglijk. In design en marketing is Amsterdam onverslaanbaar. Bovendien heeft het Schiphol, met meer directe verbindingen met steden in China dan welke luchthaven in Europa dan ook.

Op dat moment keken velen in de aula naar hun horloge. Zou dit promotieverhaaltje nog veel langer duren? Dit was de man die eens zo’n veelbelovende minister van Wonen, Wijken en Integratie was en die met zijn integratienota van 2009 als een waar evenwichtskunstenaar aannemelijk wist te maken waarom je de integratie juist bevordert als je geen nieuwe buitenlanders meer toelaat. De spankracht van de samenleving om buitenlanders op te nemen had zijn grens bereikt, zei hij letterlijk. Hij zei iets verschrikkelijks – spankracht. De rek van de tolerantie was eruit. Het was geen beschavingsoordeel. Met zijn wallen onder de ogen bracht hij dit als een eenvoudige, vaderlijke opmerking.

Ook wist hij overtuigend uit te leggen waarom je rekening kon houden met de arme blanken in de achterstandswijken zonder de allochtonen overal de schuld van te geven. Hij wees op de plicht van buitenlanders om zich aan te passen en om de taal te leren.

Nu zei Van der Laan, in zijn hoedanigheid van burgemeester, dat Amsterdam juist zo aantrekkelijk is voor expats omdat alle Amsterdammers een mondje Engels spreken. Vervolgens zei hij hoe geweldig het Vondelpark en Artis wel niet zijn volgens de expats. Hij had hen in het afgelopen jaar ontmoet.

De mevrouw met het hoge kapsel, die anderhalf uur met haar hoofd tegen de pilaar had zitten slapen, schrok wakker van het applaus. Het was een fascinerend verhaal, zei Paul Scheffer in zijn dankwoord, „vooral om wat er allemaal niet werd gezegd”.

Wat werd er niet gezegd? Dat Amsterdam – net als de rest van Nederland – ten onder gaat aan intolerantie, aan vreemdelingenhaat en aan hufterigheid, dat hier met een botte bijl in kunst en cultuur wordt gehakt en dat een fatsoenlijk concert straks alleen betaalbaar is voor, ja, die rijke expats en dat die twee universiteiten waarop Van der Laan zo trots is straks studenten moeten straffen als ze een maand te laat hun diploma behalen.

Dit werd opgemerkt door een felle Amsterdammer in de zaal. Daarop zei de burgemeester zei dat hij vanwege zijn functie geen politieke uitspraken kon doen.

Wat een waardeloos antwoord, zei de Amsterdammer.