Vrijheid is voor Geert Wilders een privilege

Wilders wil een Koranverbod, maar bepleit voor zichzelf onbeperkte vrijheid van meningsuiting. Hypocriet, stelt Marloes van Noorloos.

Velen zullen een zucht van verlichting hebben geslaakt toen rechtbankvoorzitter Marcel van Oosten vanmorgen, zoals in een spannende thriller, Wilders’ uitingen stuk voor stuk voorzag van het stempel ‘vrijspraak’. De beschuldigingen aan het adres van de rechterlijke macht waren immers niet te overzien geweest als het college was gekomen tot een veroordeling. In Wilders’ eigen opvatting zouden dan miljoenen mensen „terecht geen vertrouwen meer hebben in de rechterlijke macht”.

Er is geen twijfel over mogelijk dat hij alle mogelijkheden zou hebben aangegrepen om dat vertrouwen nog verder naar beneden te halen. Los van de voors en tegens van de uitspraak zelf is het zorgelijk dat de houdbaarheid van de rechtsstaat in Wilders’ ogen staat of valt met de uitkomst van zijn eigen proces.

Toch is Wilders nog nooit principieel in het geweer gekomen tegen de wetgeving over haatuitingen. De politicus schreeuwt dan wel moord en brand over zijn eigen vervolging, in 2005 ondertekende zijn partij nog een motie die de autoriteiten opriep om meer werk te maken van de strafrechtelijke aanpak van haatuitingen. Tegenover een onbeperkte uitingsvrijheid voor zichzelf pleit Wilders juist voor het beperken van de vrijheid van meningsuiting van zijn tegenstanders, zoals het verbieden van de Koran en het aanpakken van radicaal-islamitische uitingen. De uitingsvrijheid verwordt op die manier tot een ‘privilege’ in plaats van een recht dat juist geldt voor opvattingen die men verafschuwt. In zo’n klimaat komt de rechtsstaat – en de hoeders daarvan: de rechterlijke macht – onvermijdelijk onder vuur te liggen. Rechters hebben immers de ondankbare taak om die vermeende ‘privileges’ af te wegen tegen andere rechten en belangen. In dit geval is die belangenafweging in Wilders’ voordeel uitgevallen, maar de rechtspraak op dit gebied laat zien dat het in feite alle kanten op had kunnen gaan.

Laten we, nu de zaak is afgedaan, dan eens beginnen om de wettelijke grenzen van de vrijheid van meningsuiting in Nederland eens goed tegen het licht te houden. Om welke redenen willen we bepaalde uitingen al dan niet verbieden? Onze wetgeving stamt deels uit de jaren dertig en deels uit de jaren zeventig. Zijn de ideeën die destijds relevant waren dat nu nog steeds? We moeten waken voor een al te grote rol voor het strafrecht. Een debat over de strafwaardigheid van Wilders’ uitingen leidt immers af van waar het echt om gaat – of zijn ideeën ergens op slaan.

Marloes van Noorloos is promovenda aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen van de Universiteit Utrecht. In december 2011 verschijnt haar proefschrift over haatuitingen.