Vissen spieken naar binnen

Chris Adrian: Het kinderziekenhuis. Vertaald door Leen Van Den Broucke, An de Greef en Marijke Versluys. Ailantus, 592 blz. € 29,95

‘Ik ben de schrijvende engel, gedoemd om te waken en toe te kijken’, luidt de openingszin van Het kinderziekenhuis. Een sprekende engel die een verhaal vertelt en meteen aankondigt commentaar te leveren, dat belooft weinig goeds: je vreest met een moraliserende vorm van magisch realisme te maken te krijgen.

Het verhaal bevestigt aanvankelijk die vrees. Dit is niet zo maar een ziekenhuis: het drijft. De wereld is namelijk ten onder gegaan aan een zondvloed; alles en iedereen is dood, behalve de zieken en hun verzorgers in dit ene ziekenhuis (en uiteraard de vissen, die af en toe langs de waterdichte ramen van het hospitaal zwemmen). Een zondvloed, engelen die de bewoners van het ziekenhuis van synthetisch voedsel voorzien en een hoofdpersoon die over magische krachten beschikt, waardoor zieke kinderen weer beter worden: het recept voor een draak van een sprookjesroman.

Maar dit is geen sprookje, Chris Adrian méént het en een gebrek aan ambitie valt hem niet te verwijten. De zondeval staat centraal in deze roman, de tweede van hem die in het Nederlands werd vertaald. In de eerste, De machine van Gob, vormde de Amerikaanse geschiedenis de rode draad. En onlangs verscheen zijn nieuwe roman, The Great Night, hierin varieert Adrian op Shakespeares Midzomernachtsdroom.

Reputatie

Vorig jaar werd Adrian door The New Yorker uitgeroepen tot een van de beste schrijvers onder de veertig; dat was vooral vanwege zijn korte verhalen die regelmatig in het weekblad te vinden zijn – maar het deed zijn reputatie als romanschrijver evenmin kwaad. Zijn romans worden overwegend positief ontvangen en Het kinderziekenhuis is geen uitzondering. Ambitie en verteltalent werden geprezen – al werd zijn stilistische overdaad ook wel opgemerkt. Het verhaal, dat op de keper beschouwd volkomen absurd is, werd meer dan eens ‘geloofwaardig’ bevonden.

En dat is merkwaardig, want negen maanden ronddobberende kinderen in een drijvend ziekenhuis zijn niet geloofwaardig. De genezing door een zieneres, Jemma, die ook nog eens zelf een kind krijgt waarna een nieuwe dageraad aanbreekt, is dat evenmin. En hetzelfde geldt voor de ouderen (dat wil zeggen, iedereen ouder dan 21) die een gruwelijke dood tegemoet gaan.

Het boek ademt bovendien een bij vlagen nogal ouderwetse, calvinistische sfeer: de ouderen zijn niet zonder zonden en kunnen dus niet gered worden. Jemma merkt op: ‘De kennis van mijn verdorvenheid is het enige wat mij bijzonder maakt’.

Ondanks deze kanttekeningen – en er zijn er meer te maken: stukken zijn vaak te lang, en Adrian (zelf arts) is te minutieus in zijn medische verhandelingen – is het boek uiteindelijk toch goed. De bandeloosheid maakt dat je de absurditeit accepteert, en andersom. Bovendien is dit absurditeit met een doel: ‘Ooit was het mijn gave en mijn vloek om de hele wereld te herscheppen. Nu niet meer’, schrijft de falende engel.

Een schrijvende engel die de gave heeft een wereld te scheppen – je zou het als metafoor voor het schrijverschap kunnen zien – en die vervolgens faalt: dat maakt het boek interessant. Want zo wordt het verhaal zelf een zoektocht naar hoe ver je kan gaan, zowel stilistisch als inhoudelijk, in het vormen van een nieuwe wereld. Enerzijds is er de gave: een auteur kan met magisch realistische fratsen eenvoudigweg kinderen op wonderbaarlijke wijze laten genezen. Maar de vloek: je kunt onschuldige kinderen genezen wel, maar dan maakt dat de zonde nog niet ongedaan. Ongeacht of je nu een engel, een genezer of een auteur bent: onontkoombaar leed laat zich niet verzachten. Wie de wereld wil verbeteren, zal falen.

Opbouw

En met dat falen wordt de roman ook goed (het is ploeteren door de pagina’s met alle kinderziektes). Na die genezing volgt namelijk de opbouw van een minimaatschappij, waarvan daarna weer het verval wordt beschreven. Deze episodes maken de meeste indruk. Er worden verkiezingen uitgeschreven om de Universele Vriendin van alle bewoners te kiezen, er wordt gepredikt over schuld en boete en er wordt gezocht naar verklaringen voor de zondvloed. Drankgelagen, bruiloften, musicals, ijsmachines – alles is er. Een bruiloft tussen Jemma en haar geliefde is een gemeenschapsfeest, waarbij woorden als ‘bruiloft’ veranderd worden in ‘ceremonie’, omdat aan het eerste te veel de waarden van een oude wereld kleven. Kortom: de utopie lijkt compleet. Het enige dat moet gebeuren is dat de oude wereld vergeten wordt, dat echt opnieuw wordt begonnen.

Alleen: geen van de volwassenen is daartoe in staat, en de oude wereld laat de volwassenen evenmin met rust. Er vallen doden, waarvan Jemma als genezers de schuld krijgt. Verdriet om het verleden blijkt niet uit te roeien, haat en nijd evenmin.

En dat is dan de vloek van de schrijver: je kan wel proberen je personages opnieuw te laten beginnen, dat betekent nog niet dat je een nieuwe wereld kunt creëren. Adrian wil iets over de wereld zeggen in romanvorm – het lijkt geen toeval dat dit boek is verschenen bij McSweeney’s, de uitgeverij van de steeds meer geëngageerde Dave Eggers – en daarmee ook iets over de rol van de schrijver. ‘Er moet iets op het spel staan waarover de schrijver, de personages en de lezer het eens kunnen zijn dat het belangrijk is,’ vertelde Adrian aan The New Yorker. Dat is inderdaad het idee dat beklijft na lezing van deze roman.