Schrijf nu uw eigen necrologie

Tirade nummer 438. Van Oorschot, 104 blz. 12,50

Het diner en Zomerhuis met zwembad doen het al zo goed, maar als we Herman Koch in een door hemzelf geschreven ‘In memoriam’ in Tirade mogen geloven, zal het boek dat hem de meeste bekendheid geeft pas over dertien jaar op de markt verschijnen. Koch in zijn eigen necrologie: ‘Op het station van Lamswaarde kreeg hij koorts. Het was herfstig weer. Er lagen blaadjes op de rails en er was ook iets met een bovenleiding. Daar, in de niet-rokenruimte van het station, kwam er gisteravond een eind aan ,,de lange reis die leven heet’’, zoals hij het zelf verwoordde in misschien wel zijn bekendste boek Jij niet, muis! (2024).’

Tirade gaf nog 34 schrijvers de opdracht hun eigen in memoriam te schrijven. Laten we hopen dat Tirades eigen doodsbericht er met de aangekondigde subsidiestop voor literaire tijdschriften niet aan zit te komen. In sommige gevallen heeft dat tamelijk ernstige en zelfkritische stukjes opgeleverd. Van Maarten Doorman bijvoorbeeld, die zichzelf nog dit jaar laat overlijden en schrijft: ‘Hij kon schrijven, maar waarom deed hij zo weinig?’. En dichter Piet Gerbrandy: ‘Reeds vroeg leek hij voorbestemd een halfslachtig literator te worden. Compulsief lezer als hij was, verslond hij nog vóór de jaren des onderscheids de halve wereldliteratuur zonder er ook maar iets van te begrijpen, hetgeen hem er niet van weerhield er te pas en vooral te onpas over uit te weiden.’

Arjen van Veelen geeft zijn vrienden van GeenStijl het woord in een reaguurderssessie. Zo zegt ene ‘DeadlyKetchup’: ‘VanVeelen, dude, we gaan je missen je was een topper en je blijft een topper erg hoor en nog zo jong.’ Maarten Biesheuvel en David Van Reybrouck brengen zichzelf met slechts een enkel zinnetje in herinnering. ‘Biesheuvel had een afschuwelijk leven maar gelukkig had hij Eva als vrouw’. Lief. En Van Reybrouck over Van Reybrouck: ‘Hij deed nooit iets in opdracht.’ Behalve voor deze Tirade dan.

En uiteraard schrijft men over het eigen oeuvre. Wat zal er ‘overblijven’, waar denkt men aan herinnerd te worden? Aan een enkele zin of taalverrijking misschien wel, zoals Matthijs van Boxsel, wiens ‘Geen mens is intelligent genoeg om zijn eigen domheid te begrijpen’, volgens de schrijver die zelf ‘inmiddels zijn weg heeft gevonden naar kalenders, agenda’s en cabaretiers’.

Een fijn grasduinnummer, hoewel bij sommigen een verbeeldingsloze ijdelheid de kop opsteekt en men het doodsbericht vol schrijft met het soort cv-informatie dat misschien beter op z’n plaats is op LinkedIn. Peter Buwalda formuleert het ongemak zo: ‘Het in memoriam is een raar genre. Met journalistiek heeft het weinig te maken. Niet alleen bevatten in memoriams zelden iets wat we nog niet wisten, ook gaan ze gebukt onder het juk van ,,over de doden niets dan goeds’’, wat verklaart waarom alleen verdienstelijke types er een krijgen.’ Iedereen in dit nummer deugt.