Op de thee bij de erven Paustovski

Samen met meestervertaler Hans Boland reisde ik afgelopen maandag naar het stadje Taroesa aan de rivier de Oka om er de datsja van schrijver Konstantin Paustovski (1892-1968) te zien. Boland wilde er ook de kinderboekenschrijver Vladimir Zjeleznikov ontmoeten, van wie hij het uit 1975 stammende, geruchtmakende jeugdboek Tsjoetsjelo (De vogelverschrikker) heeft vertaald.  Die Zjeleznikov is de schoonzoon van Paustovski, of beter gezegd de man van diens stiefdochter Galina Arboesova.

Taroesa is mooi, niet alleen dankzij zijn ligging aan de betoverend mooie Oka, maar ook door de datsja’s. Er hebben tal van beroemde kunstenaars, musici, schrijvers en dichters gewoond of gelogeerd, van wie Marina Tsvetajeva, Nadjezjda Mandelsjtam, Josif Brodski, Svjastoslav Richter en Alexander Ginzboerg de bekendsten zijn.

De aanwezigheid van sommige dissidente schrijvers valt te verklaren uit de geografische ligging van Taroesa: op 140 kilometer van Moskou, buiten de 101-kilometerzone dus waar iemand die door de autoriteiten verbannen was niet mocht komen.

De datsja van Paustovski is een van de indrukwekkendste die ik ooit heb gezien. Hij ligt aan de rand van het dorp, op de hoge oever van de rivier. Anders dan toen Paustovski nog leefde, verhinderen bomen tegenwoordig dat je vanuit zijn werkkamer het water kunt zien.
Galina vertelde ons dat het huis aanvankelijk klein was, ,,het had maar maar twee ramen” en dat er steeds een stuk bijgebouwd werd. Zelf heeft Galina een schitterende tuin aangelegd, zo een die ik in Rusland nog niet eerder heb gezien.

Met de 85-jarige, bijna blinde Zjeleznikov en Galina spraken we de hele middag zeer geanimeerd over leven en werk, van henzelf en van Paustovski. Beiden werkten in de Sovjet-Unie als scenarioschrijvers. Zjeleznikov schreef daarnaast die kinderboeken. Toen Tsjoetsjelo in de jaren tachtig verfilmd werd, verbood een lid van het Politburo de vertoning ervan , omdat de ‘kwaadaardige’ kinderen die er in voorkwamen een slechte invloed zouden kunnen hebben op de Sovjet-jeugd. Het boek was toen al bijna tien jaar een enorm succes. De oplagen waren enorm: de eerste druk telde 600.000 exemplaren, de tweede druk een miljoen.

Zoals wel vaker in Rusland smeed je tijdens zo’n gesprek een hechte vriendschap. Galina vertelde prachtige anekdotes over pianist Richter, die een zonderling genie was. Zo trad hij eens op in Polen en kocht daar een hele lading kussens op, omdat die in de Sovjet-Unie schaars waren. In zijn huis in Taroesa, een soort toren, lag hij er dan de hele dag op als hij een depressie had. Zo’n man dus!

Ook vertelde het paar over hun vroegere buren, een vertaler Engels en een literatuurgeleerde, die onderdak verschaften aan Alexander Ginzboerg en Josif Brodski, in de tijd dat ze in onmin verkeerden met het regime.

Aan het eind van de middag reed Galina ons naar de rivier, waar een standbeeld van Tsvetajeva staat. Onweer trok over het land. De lucht werd bijna zwart. En daar stond de dichteres in brons. Ze staarde uit over de eeuwige schoonheid van de natuur.