Ook voor gereformeerden houdt de historie geen halt

George Harinck e.a. (red.): Het gereformeerde geheugen.Bert Bakker, 648 blz. €39,95

Calvijn was het afgelopen jaar onontkoombaar. Bijna iedere Nederlander heeft zich in het 500ste geboortejaar van Johannes Calvijn (1509-1564) wel even calvinist gevoeld. Eigenlijk is dat vreemd. Tot het midden van de 19de eeuw noemde bijna niemand in Nederland zich calvinistisch, schrijft Herman Paul. Ook het orthodoxe protestantisme in Nederland identificeerde zich nauwelijks met de Geneefse kerkhervormer. Pas toen in de tweede helft van de 19de eeuw moderne theologen als Allard Pierson (1831-1896) Calvijn begonnen zwart te maken om zijn totalitaire en dictatoriale neigingen, stonden zijn verdedigers op. In gereformeerde kring werd Calvijn van de weeromstuit geprezen als een heilige, gesierd met deugden als ijver, zelfopoffering en studiezin. Gereformeerde jongerenverenigingen kregen zijn naam. De antirevolutionaire voorman Abraham Kuyper muntte in die jaren de term neocalvinisme. Voor hem belichaamde Calvijn in de 16de eeuw de gereformeerde beginselen, die in de 19de en 20ste eeuw verder ontwikkeld dienden te worden.

De bundel Het gereformeerde geheugen gaat over dit functionele aspect van geschiedenis. Hoe hebben gereformeerden het verleden gebruikt om hun positie te markeren? Hoe keken gereformeerde protestanten terug op belangrijke personen, teksten en gebeurtenissen uit eigen verleden. Welke functies vervulden die collectieve herinneringen in het optreden van protestantse leiders?

Op de achtergrond van deze aanpak staan twee sleutelbegrippen, die het boek tot een eenheid maken. Het eerste is het aan de historicus Pierre Nora (1931) ontleende ‘lieu de mémoire’, waarvan overigens pas op pagina 376 een heldere definitie wordt gegeven: ‘Bij lieux de mémoire is niet alleen aan (materiële) plekken te denken, maar ook aan sleutelfiguren, begrippen, ideeën en uitdrukkingswijzen waaraan de herinnering van een groep gehecht is.’ Het tweede begrip is ‘herinneringsmanager’, een persoon die de herinnering van de groep met succes richting weet te geven, anders gezegd: iemand die de geschiedenis inzet ‘als instrument om een volksdeel te vormen en te voeden’.

Het boek bespreekt een groot aantal lieux de mémoire – personen, begrippen, ideeën, beelden – die voor het gereformeerde zelfbeeld van betekenis zijn geweest. Zo is er een hoofdstuk over gereformeerde vijandbeelden, waarin Rome, de Franse revolutie, de schoolstrijd, het modernisme en het communisme kort en kernachtig besproken worden. Het laatste (en leukste) hoofdstuk behandelt de kwesties die de gereformeerde wereld diep verdeelden – soms nóg verdelen: de status van de Statenvertaling, die onder bevindelijke gereformeerden nog heilig, bijna goddelijk geïnspireerd is; het isometrisch zingen van de psalmen; het ambtsgewaad en de sprekende slang in het Paradijs, die in 1926 tot een kerkscheuring leidde in de Gereformeerde Kerken.

De gekozen benadering heeft als resultaat dat de meer dan dertig auteurs, vrijwel allemaal uit een gereformeerd nest, de gereformeerde traditie vanaf een afstand analyseren. Door te focussen op de perceptie en de beleving van het verleden is de waarheidsvraag, waarop gereformeerde geschiedschrijving traditioneel een antwoord probeerde te geven, geheel uit beeld verdwenen. Over Gods hand in de geschiedenis spreekt niemand meer.

Het boek biedt een meta-blik op de gereformeerde wereld, die nu goeddeels ontzuild en/of geseculariseerd is. Gereformeerde vormen en normen zijn door de tijd ingehaald. Antirevolutionairen zijn opgegaan in het CDA, gereformeerden in de PKN. Moderne bevindelijken en vrijgemaakt- gereformeerden in de EO. Het vrijgemaakte GPV in de interkerkelijke ChristenUnie. Alleen de reformatorische zuil staat nog overeind, al wordt ook daar de kritiek op de positie van vrouwen en homo’s steeds meer gevoeld. Ook voor die zuil zal de geschiedenis geen halt houden.