Onderzoek

Bestaat er een aspect van Marokkaanse Nederlanders dat nog geen obsessieve aandacht van de academische wereld heeft gekregen? Recentelijk verscheen er weer een onderzoek naar dit smaldeel van de bevolking. Wat blijkt? Marokkaans-Nederlandse jongeren worden in stressvolle situaties op dezelfde manier boos als hun autochtone leeftijdsgenoten. Een uitkomst die het universiteitsblad Mare verleidde tot de kop – knipoog, knipoog – ‘Het zijn net Nederlanders’.

Onderzoekster van dienst, Sheida Novin (Iraans-Nederlandse), doet mij na ons interview een exemplaar van haar dissertatie cadeau. Ze heeft een klein kantoor in de faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit van Leiden. Hier moet de emotionele huishouding van de Marokkaans-Nederlandse jongere uitvoerig gecategoriseerd zijn om uiteindelijk verwerkt te worden in tabellen en taaie academische taal. Sheida vertelt dat ze al verschillende media te woord heeft gestaan. Iedereen wil horen dat het vooroordeel van licht ontvlambare Marokkaantjes die zich gedragen alsof ze zich nog in de Rif wanen, van geen kanten klopt.

Ik vergeet de belangrijkste vraag te stellen: „Ligt dat niet voor de hand?” In plaats daarvan hoor ik haar uit over haar Marokkaans-Nederlandse controlegroep, samengesteld uit leerlingen van verschillende „zwarte” scholen. (Terzijde: Wie doet eens onderzoek naar de vraag waarom dat „zwarte” scholen heet, en niet, wat zou ’t, „regenboogscholen”?). Die jongeren reageerden aanvankelijk zoals ik gereageerd zou hebben was ik nog Marokkaans-Nederlandse scholier: „Niet wéér een onderzoek naar Marokkaanse Nederlanders!” Maar ze gaven toe, vooruitgang in de wetenschap lag ze uiteindelijk net zo na aan het hart als Sheida. En elk uurtje dat je niet in een klaslokaal hoeft door te brengen is mooi meegenomen.

De jongeren moesten reageren op hypothetische probleemsituaties en per chatprogramma samenwerken met een saboterende pestkop wiens taak het was om de jongeren het bloed onder de nagels vandaan te halen. Hun antwoorden en gedrag werden vergeleken met een autochtone Nederlandse controlegroep en een autochtone Marokkaanse controlegroep in Noord-Marokko. En ja hoor, de Marokkaans-Nederlandse jongeren leken in gedrag veel meer op de Nederlandse jongeren dan op de autochtone Marokkaanse jongeren. Vergeef me de smalende toon, maar is er echt wetenschappelijk onderzoek nodig om uit te vinden dat de ene jongere anders in elkaar steekt dan de andere die duizenden kilometers verder in een volstrekt andere cultuur leeft? Toch wel, want, zo vertelt Sheida, als de Marokkaans-Nederlandse jongeren werd gevraagd hoe ze zichzelf beschouwen, dan was het antwoord resoluut: Marokkaan. Mijn neefjes zullen niets anders antwoorden. Ze dragen shirts van het Marokkaanse elftal, luisteren naar Nedermarokkaanse rappers en doorspekken hun taal met Marokkaanse stopwoordjes. Maar ze spreken nauwelijks Berbers, hebben geen idee van de cultuur of politiek aldaar, en tijdens hun korte vakanties in het moederland gaan ze aan de diarree omdat ze het voedsel en de hitte niet verdragen. Toch blijven ze volhouden dat ze in de eerste plaats Marokkaans zijn.

Het onderzoek werd verwelkomd als een lichtpuntje tussen de bulk andere onderzoeken waarin Marokkaanse Nederlanders vooral naar voren komen als onaangepaste lastpakken. „Het zijn net Nederlanders” was de teneur. De jongeren zullen het tegenspreken, ze zijn Marokkaans, niet „net Nederlanders”, maar wetenschap is onverbiddelijk, er valt niet te sjoemelen met de feiten die hun gedrag als Nederlands bestempelen.