Niks zuilen, niks dak!

Verzuiling geldt als uniek Nederlands recept. Ten onrechte, betoogt sociologisch historicus Peter van Dam. België en Duitsland hadden ook hun ‘zware gemeenschappen’. Maar hoe zinvol zijn Van Dams kanttekeningen?

Peter van Dam: Staat van verzuiling. Over een Nederlandse mythe. Wereldbibliotheek, 128 blz. € 15,90

Gedurende vele jaren was Nederland opgedeeld in zuilen waarbinnen het maatschappelijke leven zich in belangrijke mate afspeelde. Het dak op de zuilen werd onderhouden door een elite die in nuchtere wederzijdse inschikkelijkheid het land bestuurbaar hield. Aan die internationaal unieke verzuiling werd in de jaren zeventig ruw een einde gemaakt; met de scherpe gevolgen van de ontzuiling worstelt onze samenleving nog steeds.

Eens of oneens? Bovenstaande samenvatting zal velen vertrouwd voorkomen. Verzuiling als uniek Nederlands recept, ontzuiling als gedwongen afscheid van een vreedzaam verleden. Maar in zijn mooi geschreven boek Staat van verzuiling betoogt de in Duitsland wonende en in Nederland werkende historicus Peter van Dam dat dit traditionele beeld op veel onderdelen nu juist tekortschiet en misleidt. De beeldspraak van het dak en de zuilen suggereert veel meer stabiliteit en onveranderlijkheid dan feitelijk het geval was. Uniek voor Nederland was het verschijnsel van verzuiling al helemaal niet. En de ontzuiling betekende maar in beperkte mate een radicale breuk met een harmonisch verleden. Niet voor niets luidt de ondertitel van zijn boek: Over een Nederlandse mythe.

Eerdere wetenschappelijke pogingen om de Nederlandse verzuiling wat steviger en meetbaarder te funderen waren opmerkelijk onsuccesvol. In een poging tot ordening onderscheidt Van Dam drie thema’s waarbinnen het verzuilingsbegrip figureert: de wijze waarop burgers zich organiseren, de plaats die religie en levensbeschouwing innemen in de samenleving, en de wijze waarop de politiek zich organiseert. Voor elk van deze drie draagt het begrip verzuiling maar weinig bij tot beter begrip, betoogt hij.

Zuilen danken hun samenhang aan gemeenschappelijke normen en waarden, breed maatschappelijk uitgedragen door organisaties die exclusief bestemd zijn voor leden uit eigen kring. De klassieke vooroorlogse voorbeelden waren de katholieke zuil, de protestantse zuil en de sociaal-democratische zuil: elk een eigen omroep, een eigen vakbeweging, een eigen jongerenorganisatie en nog zo wat.

Van Dam spreekt met een uit de sociologie afkomstige term liever van ‘zware gemeenschappen’, die in de loop van de 20ste eeuw tot stand kwamen. Maar uniek voor Nederland was dat verschijnsel alvast niet: ook in België, Duitsland en Zwitserland waren vergelijkbare ontwikkelingen waar te nemen. En stabiel en onomstreden waren deze gemeenschappen zeker niet, noch voor het pacificatiejaar 1917 toen het onderwijsstelsel en het kiesrecht geregeld werden, noch daarna. Het begrip verzuiling kon niet in de laatste plaats overleven als strijdkreet die tegenstanders aanvuurde en voorstanders verbond. De oprichting van de PvdA na de oorlog was een nadrukkelijke poging tot doorbraak van de verzuilde verhoudingen, en Pim Fortuyn wist er ook wel raad mee.

Als de metafoor van de verzuiling bij nadere inspectie tekort schiet voor de beschrijving van het maatschappelijke, levensbeschouwelijke of politieke landschap van Nederland tot in de jaren ’60, dan geldt dat des te meer voor de metafoor van de ontzuiling, naar het oordeel van Van Dam al te vaak verward met de naoorlogse processen van desecularisatie en individualisering. Hij spreekt bij wijze van alternatieve karakterisering liever van een Europabrede verschuiving van zware gemeenschappen naar lichte gemeenschappen die de exclusiviteit van de klassieke zuil inruilden voor de openheid en de vrijblijvendheid van het moderne netwerk. Maar hoe ook beschreven, het post-ontzuilings Nederland verschilt lang niet zo radicaal van de verzuilde versie als in de jaren ’70 werd gehoopt, en de discussie rond een mogelijke Islamitische zuil – een onwelkom excuus voor isolement of een welkom hulpmiddel bij integratie? – toont aan dat de zuil als ordeningsprincipe een taai bestaan leidt.

Dat is ook precies de frustratie van Van Dam. Keer op keer legt hij geduldig en overtuigend uit hoezeer de simpele cliché s van de verzuiling tekortschieten in de beschrijving van ons complexe heden en ons complexe verleden. ‘Verwarring en vertekening liggen op de loer, verheldering valt nauwelijks te verwachten’, waarschuwt hij. Maar de zuilen waren natuurlijk geen verzinsel; de zware gemeenschappen van de 20ste eeuw zetten wel degelijk een stevig stempel op het dagelijks leven in Nederland voor en na de oorlog en horen bij ons nationale zelfbeeld. Zo bezien zegt de aanhoudende populariteit van het verzuilingsbegrip misschien wel meer over hoe wij tegen Nederland wensen aan te kijken dan over het land zelf.

De beeldspraak van de verzuiling, als sociale samenhang om naar terug te verlangen of als verouderde verdeeldheid om afstand van te willen nemen, zal een rol blijven spelen in onze pogingen Nederland in te richten naar de eisen van de 21ste eeuw, alle waarschuwingen van Van Dam ten spijt. ‘Een opticien onderzoekt de bril van zijn klant wel, maar zet hem zelf niet op,’ schrijft hij. Vooralsnog lijken zijn klanten verrassend gehecht te blijven aan hun naar zijn oordeel zo vertekende beeld van de Nederlandse samenleving.