Koning Midas is zojuist verhuisd naar Peking

Alsof je de Staatsloterij hebt gewonnen, en vervolgens bij God niet weet wat je met al dat geld moet. Tien jaar geleden stonden de Chinese deviezenreserves op 212 miljard dollar, dankzij een stabiel en stijgend handelsoverschot en een actief beleid dat de eigen munt koppelde aan de Amerikaanse dollar. In maart van dit jaar, tien jaar van handelsoverschotten later, bereikten de reserves een astronomisch bedrag van, schrik niet, 3.044 miljard dollar.

Dat wordt gezien als een teken van de enorme financiële slagkracht van het land. Maar het is ook een probleem, want wat moet je ermee? Wie ervan uitgaat dat het geheel rentedragend is belegd in buitenlandse kortlopende en langlopende obligaties, kan makkelijk uitrekenen dat bij een gemiddeld rentepercentage van, zeg, 3 procent, er elk jaar zomaar 91 miljard dollar bijkomt. Dat is dus nog zonder nieuw gegenereerde overschotten op de betalingsbalans. Over de eerste vier maanden van dit jaar, zo wordt geschat, bedroeg het overschot, inclusief rente, al weer 196 miljard dollar.

De vraag is waar al dat geld naartoe moet. Begin deze week kwam in het nieuws dat de bank Standard Chartered, een grote speler in Azië, schatte dat van die 196 miljard overschot driekwart in euro’s is belegd, en maar een kwart in Amerikaanse dollars. Dat was opmerkelijk: hoewel de samenstelling van de Chinese reserves onbekend is, wordt aangenomen dat het leeuwendeel is belegd in dollar-obligaties. Is er sprake van de langverwachte Chinese koerswijziging, waarbij het risico van de deviezenportefeuille wordt gespreid?

Dat verklaart de interesse voor euro’s. Maar bekijk het eens van de Chinese kant. De dollar zal op termijn zijn rol als spil in het systeem vast wel kwijtraken. En de kredietwaardigheid van Amerika lijkt er intussen niet beter op te worden. Nog gisteren waarschuwde de Amerikaanse begrotingswaakhond, het Congressional Budget Office, dat de staatsschuld bij ongewijzigd beleid kan oplopen tot 190 procent van het bbp in 2035. Dat zijn Japanse verhoudingen. En over Japan gesproken: het diversifiëren van de Chinese reserves richting de yen is ook al niet erg aantrekkelijk.

Voor het spreiden naar de euro is moed nodig, of wanhoop. Moed: het massaal opkopen van euro-staatsobligaties is, dezer dagen, niet zonder risico. En de markten voor Duitse en Franse staatsschuld, die bij het opbreken van de euro wel zouden overleven, zijn eigenlijk te klein voor de massa van de Chinese reserves.

Dat laat wanhoop over. Want China is dan wel steenrijk, het heeft ook een probleem. Het hoort zelf tot dat deel van de wereldeconomie dat in opkomst is, maar belegt alle verdiende reserves in staatsschuld van het deel van de wereld dat juist afglijdt.

De Chinees in de straat heeft zich al eerder niet blij getoond toen er kortstondig verlies werd geleden op de deviezenreserves. Het is één ding om welvaart (consumptie) in te leveren voor het heil van de natie (het handelsoverschot). Maar dan moeten de opgebouwde reserves wel intact blijven.

Bovendien: geen land kan er dergelijke massareserves op nahouden zonder dat die vroeg of laat doorlekken naar de binnenlandse geldhoeveelheid. De huidige bouw- en investeringsgolf, waarbij een onhoudbare 45 procent van het bbp bestaat uit investeringen, is er een teken van, en wellicht ook de nu oplopende inflatie. Wordt dit de grootste zeepbel ooit? Het lijkt fijn om alles wat je aanraakt in goud te zien veranderen, maar er zijn zwaarwegende nadelen. Er valt hier iets te leren van de Grieken. Nou ja, de Oude Grieken dan.

Maarten Schinkel