Ik kerm niet, ik zoek woorden

Jeroen Mettes: N30+. Nieuwe zinnen. Weerstandsbeleid. Twee delen in cassette. Wereldbibliotheek, 264 + 376 blz. € 29,90

‘Mijn fantasie is een Rainbow Pocket die iemand koopt en thuis ontdekt dat het, dude!, poëzie is’ schreef Jeroen Mettes (1978-2006) over zijn ‘lange prozagedicht’ N30+ dat nu postuum door de Wereldbibliotheek is uitgebracht in een cassette met Weerstandsbeleid: stukken over poëzie die Mettes tot zijn dood schreef, voornamelijk op zijn weblog.

Een Rainbow Pocket is het niet geworden, dude!, en of het poëzie is, kun je je afvragen. Maar hoe dan ook: N30+ is een verbijsterend boek. Het is totaal fascinerend en volkomen onbegrijpelijk, een slecht verlichte achtbaan, een lange kettingbotsing van zinnen waarvan er hooguit een handvol logisch op elkaar aansluit. Het gaat ongeveer zo: ‘Een olifant die een kind verkracht. Waar ben je? Als je zegt ‘oorlog’ zie je juist de oorlog niet. Geen troost. De sociaal-economische waardeloosheid van poëzie is juist wat de elite er zo charmant aan vindt. Ik ben de achtergrond. Welke spermawedstrijd?’

Mettes noemde zijn boek naar de codenaam van de betogingen van de andersglobalisten (toen nog antiglobalisten) in Seattle in 1999, het jaar waarin hij aan zijn boek begon. Overigens is het unheimische wereldtoneel maar een van de vele zaken die aan de orde komen in Mettes’ woordenstroom, strijdend om voorrang met alle andere soorten zinnen die een mens zich kan dromen. Filosofie (‘Giorgio Agamben, take the floor’; ‘De wereld is alles wat het geval is.’) wordt afgewisseld met wrange geestigheden als ‘Op de koffie bij de familie van je vrienden na Auschwitz is onmogelijk.’ Waarna een langswaaiende reclameslogan overgaat in ‘waarom fluister ik jouw naam nog’, (weer) iets met sperma en: ‘Bedoeld was natuurlijk: „De samenleving is niet maakbaar door jullie; laat ons het werk maar doen”.’

Mettes was bij leven literatuurwetenschapper en ongetwijfeld zullen zijn (toekomstige) vakgenoten proberen chocola te maken van dit boek – en daar niet in slagen. Veel belangrijker is de virtuositeit waarmee Mettes je met een touch of genius door de botsende zinnen van zijn prozagedicht voert, waarbij trouwens ook paginalang niets bijzonders gebeurt.

Af en toe blijft je oog aan een regel haken, zoals: ‘Ik kerm niet, ik zoek naar woorden.’ Dat juist zo’n regeltje als een poëticale ondertiteling een paar dagen met je meereist hangt ongetwijfeld samen met de wetenschap dat Jeroen Mettes in september 2006 zelfmoord heeft gepleegd.

Zo af en toe komt er in N30+ is een verwijzing naar depressie of suïcide voorbij; en als je de volle 260 bladzijden van deze krankzinnige onderneming tot je door laat dringen, verbaast het je niet dat er met de uitzinnige, creativiteit van Mettes ook een destructieve schaduwzijde is meegeleverd.

Op de dag van zijn dood plaatste Mettes een lege post op zijn website, waar hij anderhalf jaar eerder zijn ‘Dichtersalfabet’ was begonnen, een reeks poëziebesprekingen, uitweidingen en essays waarin hij de poëziekast van de Haagse boekhandel Verwijs alfabetisch doornam, op zoek naar wat hij goed vond, naar waarom hij het goed vond – en de vraag of daar ook een systeem in zat. Het ‘dichtersalfabet’ bracht hem bij leven al enige faam.

Weerstandsbeleid toont de eruditie die je al vermoedt bij het lezen van N30+. Afwisselend schrijft Mettes met grote beslistheid (‘Het cliché dat de dichter clichés te allen tijde moet vermijden is duidelijk niet aan Van Amstel besteed’) en is hij een zoekende lezer.

Vaak wil Mettes in één keer alles over een dichter wil zeggen: hij wil Dirk van Bastelaere verdedigen, uitleggen waarom hij hem verdedigt én vertellen wat hem niet bevalt aan de gedichten van De Bastelaere. Dat is jammer voor een essayist die zich herhaaldelijk tegen de nuance uitspreekt.

Dichters die hem wel inspireren, kan Mettes ineens mooi neerzetten, zoals Wouter Godijn: ‘Godijn is de dichter van de alleszins draaglijke lulligheid van het bestaan. Misschien is dat wel zijn project: het bestaan lulliger en dus draaglijker maken d.m.v. woorden.’ En geestig wanneer hij betoogt dat hij Piet Gerbrandy beter zonder citaten kan bespreken: ‘Elk citaat zou sterker zijn dan het gedicht waarvan het deel uitmaakt, en dus niet representatief.’

Verder dan de G van Gerbrandy is Mettes niet geraakt; de P van zijn ‘vijanden’ Ilja Leonard Pfeijffer en Hagar Peeters heeft hij niet gehaald. Weerstandsbeleid is het werk van een talentvolle essayist die nog niet tot wasdom is gekomen – Mettes is dan ook maar 28 jaar geworden. N30+ roept dat gevoel van onvoltooidheid juist niet op: daar heeft Mettes de redelijkheid zo radicaal uitgebannen dat het eindresultaat van een ijzeren logica lijkt te zijn. In zijn eigen woorden: ‘102 dalmatiërs kunnen zich niet vergissen.’