Homeopathie voor legerpaarden bestond gewoon niet

Jan Egter van Wissekerke: Van kwade droes tot erger. Erasmus Publishing, 400 blz. € 44,50

Diepgravende studies over een beperkt onderwerp kunnen fascinerend zijn. Rode oortjes-lectuur biedt bij voorbeeld Jan Egter van Wissekerkes Van kwade droes tot erger. Gebruik en veterinaire verzorging van paarden in het leger (1762-1874). Om bij de titel te beginnen: kwade droes is een bacteriële infectie. De Romein Vegetius heeft het er al over in zijn ‘uittreksel van militaire zaken’ Epitoma rei militari (390). Een slang met vele koppen. Neusvloeiing, weinig eetlust, jeuk, de ene dag kreupel aan het ene been, de volgende dag aan het andere. Of zoals de 18de-eeuwse hippiater Guérinière het uitdrukt: ‘een algemene rotting van de bloedmassa, die zich een uitweg zoekt in de vorm van puisten’. Pas in 1890 zou er iets tegen gevonden worden.

Een ander interessant bestanddeel van Van Wissekerkes standaardwerk behandelt het gebruik van paarden. Men kon niet zomaar elk paard inzetten voor willekeurig oorlogswerk. Het oorspronkelijk uit Andalusië afkomstige Friese paard was favoriet bij onze Koning Willem I, tot mensen die er verstand van hadden hem vertelden dat het niet deugde als cavaleriepaard: meer een draver dan een doordraver (matige Ausdauer) en onnodig energieverlies door overdreven knieactie.

Dan liever het landbouw- en rijpaard uit de Bommelerwaard, dat bracht een schofthoogte van meer dan anderhalve meter in en trok beter. Bijzonder is het Amelanderpaard, dat zich voor 1795 mocht verheugen in de Oranjeaandacht van stadhouder Willem V. Erg geschikt voor de lichte cavalerie. Van Wissekerke: ‘Helaas is door de rijkshengsten de fokkerij zodanig gedegenereerd dat de veulens nauwelijks te verkopen zijn.’

‘Ik ben een mooy eind van huis en dat te voet,’ schrijft een Nederlands Napoleonsoldaat in 1812 vanuit het Russische Vitebsk aan zijn moeder. Tegen die tijd heeft Napoleon er op zijn veldtocht meer dan 170.000 paarden doorheen gedraaid. Zijn met meelspijzen en aardappels vetgemeste, slappe jonge rijdieren waren niet bestand tegen krijgsdieet (onrijp graan), laat staan tegen de krijg zelve. Voor de intrede van de automotieve cavalerie won je er geen veldslag mee.

In de oorlog werd het paard uiteraard niet gespaard. Wat te doen als het dier een sabelslag ontving? Wondvereniging. Naaien en een pikpleister erop, ‘gemaakt van gom van de hokjespeul, wierook en boomhars, gemengd met eiwit of schrijnwerkerslijm en zeer fijn gesneden hazenharen, erop plakken en enkele uren vasthouden.’ Schotwonden? Groter maken en kijken wat er in zit. In de militair-veterinaire literatuur wordt geen melding gemaakt van homeopathische behandeling van legerpaarden, meldt Van Wissekerke. Ook het magnetisme is nooit echt mode geworden.

Geruststellende mededelingen in deze monumentale historie van het krijgspaard en haar vaak ondankbare behandeling voor, tijdens en na de veldslag.

Iedere twee weken een nieuwe aflevering van de rubriek Vroeger Vaderland op www.nrcboeken.nl