Het sprookje van de kilt en de doedelzak

Nog veel in Schotland herinnert aan de auteur die de cultuur van zijn land romantiseerde. Een sprankelend boek over de ‘rechtse klootzak’ Scott.

Stuart Kelly: Scott-land. The Man Who Invented a Nation. Polygon, 328 blz. €14,-

Schotland en Scott-land schelen in het Engels maar één t. Dit minieme verschil onderstreept de nauwe verwantschap tussen het noordelijke deel van het Verenigd Koninkrijk en het literaire universum van Sir Walter Scott (1771-1832). Hoewel niet al zijn boeken in Schotland spelen, komt het beeld dat de Schotten van hun land en van zichzelf hebben voor een niet onbelangrijk deel uit Scotts literaire verbeelding. Weinig schrijvers hebben zo’n succes gehad in hun poging de moderne wereld en zijn losgeslagen bewoners in een imaginair nationaal verband te verenigen.

Scott is ‘the man who invented a nation’ – aldus de ondertitel van Stuart Kelly’s sprankelende boek over deze materie. Alsof dat nog niet genoeg is, staat op het omslag ook Theodor Fontane geciteerd: ‘Wat zouden we van Schotland weten zonder Sir Walter Scott?’ De vraag stellen is haar beantwoorden. Ik had me alleen nauwelijks gerealiseerd hoevéél van wat we als typisch Schots beschouwen te danken is aan Scott. De tartan (Schotse ruit), de kilt, de doedelzak – Scott heeft ze niet uitgevonden, maar dat ze het gezicht van Schotland zijn gaan bepalen kan wél op zijn rekening worden geschreven.

Niet alle Schotten zijn daar blij mee. Kelly citeert een paar landgenoten, onder wie Irvine Welsh (auteur van Trainspotting), die Scott een rechtse ‘klootzak’ vinden en een ‘kontlikker’ van de Engelse koning. Ook in literair opzicht is de waardering voor Scotts oeuvre er niet op vooruitgegaan. In zijn eigen tijd gold hij nog als de evenknie van Shakespeare, tegenwoordig staat hij bekend als de uitvinder van de historische roman, maar is er iemand die zijn vele tientallen boeken nog leest? De meesten van ons kennen alleen Ivanhoe (1819), al dan niet van film of tv-serie.

Ook Kelly moet bekennen dat hij Scott aanvankelijk een ‘tweederangs- Dickens’ vond. Pageturners kun je zijn romans ook moeilijk noemen, met hun eindeloze beschrijvingen zijn het meer oefeningen in onthaasting. Maar heb je je tempo eenmaal aangepast, dan valt er veel te genieten. Een heel eigen wereld rijst uit zijn pagina’s op. Inderdaad: de wereld van ‘Scott-land’, waaraan het reëel bestaande Schotland zich steeds meer heeft aangepast. Het is deze wonderlijke symbiose die Kelly in zijn boek verkent.

Fantasiekasteel

De sporen ervan kom je overal in Schotland tegen. Bijvoorbeeld in Princes Street Gardens in het centrum van Edinburgh, waar het Scott-monument staat – het grootste monument ooit voor een schrijver opgericht, in de vorm van een reusachtige quasi-gotische torenspits met daarin een trap die je echt beklimmen kunt, al is niet helemaal duidelijk waarom precies. Ook wie met papiergeld betaalt raakt even aan Scott- land, want op elk biljet van de Royal Bank of Scotland staat Sir Walter afgebeeld. In de Borders, de grensstreek met Engeland waar Scott opgroeide, vinden we Abbotsford, het even schitterende als krankzinnige fantasiekasteel dat Scott voor zichzelf bouwde en waarin zijn collectie boeken en curiosa te bezichtigen is.

Natuurlijk zijn dit slechts de concrete, tastbare sporen van Scott-land. Veel belangrijker is de veel minder makkelijk grijpbare nationale identiteit of traditie, die er zonder Scott heel anders had uitgezien. Tartan, kilt en doedelzak zijn er de uiterlijke symbolen van. Maar veel meer dan onze klompen en tulpen staan ze ergens voor; ze hebben een diepere betekenis die alleen te begrijpen valt als je de geschiedenis kent waarin ze die betekenis hebben gekregen. Want in oorsprong gaat het om zaken die niet zozeer bij Schotland hoorden als wel bij de Highlands, tot in de 18de eeuw het meest achterlijke, meest feodale deel van het land.

Hoe juist de parafernalia van de Highlands karakteristiek hebben kunnen worden voor de hele Schotse cultuur vertelt Kelly niet voor het eerst. Al in The Invention of Tradition (1983) schrijft de historicus Hugh Trevor-Roper er over. Maar een sterk verhaal blijft het. Wat er onder meer uit blijkt is dat de notie van de ‘uitvinding van traditie’ niet is bedacht door kritische historici, maar al leefde bij de romantici. Bij Scott zelfs letterlijk, getuige de biografie (1837-1838) van zijn schoonzoon James Gibson Lockhart.

Scott begon zijn literaire carrière met het verzamelen van volkspoëzie, zoals dat door wel meer romantici (Herder, Arnim en Brentano) werd gedaan. Vervolgens begon hij zelf omvangrijke ‘romances’ in die trant te schrijven. Daarvoor placht hij zich goed te documenteren. Graag maakte hij gebruik van legendes ter versterking van de couleur locale. Maar toen zo’n legende op een keer niet voorhanden bleek, moet hij hebben gezegd: ‘Laten we er dan zelf een verzinnen – nothing so easy as to make a tradition’. Niets anders blijkt Scott met zijn hele werk en optreden te hebben gedaan, vooral nadat hij de poëzie had verruild voor het proza.

Zijn eerste historische roman Waverley (1814) ging over de mislukte Jacobitische opstand van 1745-46. Schotland was sinds 1707 politiek verenigd met Engeland; de Engelse koning (uit het nog altijd regerende huis van Hannover) was tevens koning van Schotland. Maar de concurrerende dynastie van de Stuarts was er ook nog en in 1745 eiste hun kroonprins met geweld de troon op. Met een leger van trouwe clanleden en hun chefs wist hij tot diep in Engeland door te dringen. Een onwaarschijnlijk avontuur dat eindigde met de bloedige slag van Culloden, waar de uitgeputte troepen van ‘Bonnie Prince Charlie’ volledig in de pan werden gehakt. Daarop volgde keiharde repressie: zelfs het dragen van kilt en tartan en het spelen op de doedelzak werd verboden. Ter voorkoming van een nieuwe opstand trachtten de Engelsen de hele Highland-cultuur te vernietigen. Wie nu verlangt naar een verbod op hoofddoekje, boerka of ritueel slachten kan er een voorbeeld aan nemen.

Scott was geen voorstander van het Jacobitisme, dat terug wilde naar een soort feodaliteit met een koningschap bij goddelijk recht. Hoewel aartsconservatief, verdedigde hij de ‘Union’ met Engeland, waar sinds de ‘Glorious Revolution’ van 1688 een min of meer constitutioneel koningschap bestond. Maar wel had hij oog voor de ‘romantische’ kwaliteit van de Highlanders en hun hopeloze zaak. Terwijl de reële cultuur van de Highlands verdween, weldra ook wegens ingrijpende economische veranderingen (de zogenaamde Clearances, die duizenden Highlanders tot emigratie dwongen), herleefde ze in zijn boeken als romantische mythe.

Trouw en strijdlust

Scott was overigens niet de eerste om de cultuur van de Highlands te romantiseren. James Macpherson was hem in de late 18de eeuw voorgegaan met zijn grotendeels verzonnen poëzie van Ossian. Dankzij deze romantisering veranderden de Highlanders van ‘barbaren’ in aantrekkelijke ‘nobele wilden’. Bij hun kleurrijke, door trouw en strijdlust getekende cultuur vond men een imaginair tegenwicht tegen de onontkoombaar oprukkende moderne tijd.

In Edinburgh werd in 1820 de Celtic Society opgericht, waarvan de leden zich tijdens hun bijeenkomsten verkleedden als Highlanders. Walter Scott was, het zal niemand verbazen, hun voorzitter. De grote kans voor Scott en zijn geestverwanten kwam twee jaar later, toen de Engelse koning George IV een statiebezoek aan Edinburgh bracht. Scott, van wie de koning een verklaard bewonderaar was, trad op als organisator en ceremoniemeester. Hij maakte er iets heel bijzonders van, dat de ‘Schotse identiteit’ blijvend wist te beïnvloeden.

Wat Scott bedacht was dat men zich bij diverse gelegenheden (ontvangst, bal, banket) zou uitdossen als Highlander, compleet met kilt, tartan, en bijpassende wapens. Een grandioos vertoon van martialiteit, maar ditmaal bedoeld om de loyaliteit jegens de Engelse koning kracht bij te zetten. George IV begreep de opzet en was niet te beroerd om zich ook in Highland-kostuum te vertonen, al moet dat laatste vanwege zijn corpulentie geen gezicht zijn geweest. Het achterliggende doel van dit alles: bevordering van eenheid. Eenheid met Engeland, wat op een bijna perverse manier werd uitgedrukt doordat alles wat van oudsher achter de Stuarts had aangelopen nu werd gemobiliseerd om het huis van Hannover te omarmen. Maar door heel Schotland onder de symbolische paraplu van de vrijwel uitgestorven Highland-cultuur te verenigen hoopte de conservatieve Scott ook de recente politiek-radicale agitatie de wind uit de zeilen te nemen.

Het werd een geweldig succes. De natuur imiteert de kunst, zou Oscar Wilde later betogen. In Edinburgh in 1822 was ’t het leven zelf dat de kunst imiteerde. Scott had een tijdelijk Gesamtkunstwerk gecreëerd, waaruit een nieuw Schotland of Scott-land tevoorschijn kwam dat sindsdien niet meer is verdwenen. Kilts en tartans werden de grote mode, en dat bleven ze.

Ook na Scotts dood in 1832 ging de promotie van de Highland-cultuur door, al was het maar omwille van de textielindustrie, die een schier eindeloos afzetgebied voor Schotse ruit zag opdoemen. Zeker nadat nieuwe, zij het minder geniale fantasten hadden bedacht dat elke clan zijn eigen tartan had. Hoewel de historische bewijzen voor dit laatste nooit zijn geleverd, wordt het nu door menigeen heilig geloofd. Walter Scott kreeg opnieuw gelijk: soms is niets zo eenvoudig als het ‘maken’ van een traditie.