'Het grootste schandaal sinds Watergate'

De ondergang en de redding van Fannie Mae en Freddie Mac heeft 153 miljard dollar gekost. „Het is een aanklacht tegen mores die men in Was-hington respectabel acht.”

Begin jaren ’90 bevonden de semiprivate ondernemingen Fannie Mae en Freddie Mac zich in een droompositie op de kapitaalmarkt: ze konden tegen ongekend lage rente kapitaal aantrekken, omdat de Amerikaanse overheid impliciet garant stond voor hun leningen.

Het idee was dat de twee instellingen dat geld zouden gebruiken om het eigenwoningbezit onder huishoudens met lagere inkomens te stimuleren. Fannie Mae, sinds 1991 geleid door Jimmy Johnson, deed dit echter slechts ten dele. Volgens berekeningen van de Congressional Budget Office reserveerden Johnson cum suis alleen al in 1995 zo’n 2,1 miljard dollar voor zichzelf en de aandeelhouders. In zijn negen jaar als bestuursvoorzitter van Fannie verdiende Johnson ruwweg 100 miljoen dollar.

Hoe kwam een onder overheidstoezicht staande organisatie als Fannie daarmee weg? Onder meer door haar winsten te delen met politici, schrijven Gretchen Morgenson en Joshua Rosner in hun pas verschenen ‘Reckless Endangerment’ – in de vorm van campagebijdragen en baantjes voor familieleden en voormalige stafmedewerkers.

Fannie betaalde ook academici om onderzoek te verrichten dat de voordelen van haar activiteiten bevestigde en de risico’s bagatelliseerde. Bankiers, makelaars en pleitbezorgers van eigenwoningbezit, die allen baat hadden bij de activiteiten van Fannie (en Freddie), werden ingezet om te lobbyen in Washington.

Van alle kanten ingedekt konden Fannie en Freddie zich concentreren op het securiseren van almaar meer hypotheken. Daarmee verrijkten ze zichzelf en hun aandeelhouders, terwijl het risico voor de belastingbetaler toenam doordat de leningsvoorwaarden steeds soepeler werden.

De grootste leverancier van hypotheken werd het inmiddels door de Bank of America overgenomen Countrywide Financial, dat op een gegeven moment alle eisen liet vallen en zelfs kopers die niet-kredietwaardig waren hielp bij het verfraaien van hun hypotheekaanvraag – de zogenoemde liar loans. Ondertussen verdienden de grote Wall Street-banken goud aan de schijnbaar oneindige stroom mortgage-backed securities die ze aan hun cliënten konden verkopen.

Deze hele charade werd mede gefaciliteerd door wat ook wel de ‘draaideur’ tussen Washington en Wall Street wordt genoemd. Enkele voorbeelden:

Als minister van Financiën maakte Robert Rubin, ex-bestuursvoorzitter van Goldman Sachs, zich hard voor het ongedaan maken van de Glass-Seagall Act. Dat is de wet die de activiteiten van commerciële banken afsplitste van die van zakenbanken. Dat maakte de fusie tussen Citibank en Traveler tot Citigroup mogelijk. Na zijn ministerschap werd Rubin vicevoorzitter van diezelfde Citigroup, alwaar hij tot aan de financiële crisis meer dan 100 miljoen dollar verdiende.

In 1996 werd Stephen Friedman, oud-bestuursvoorzitter van Goldman Sachs, commissaris bij Fannie.

In 1999 werd Jimmy Johnson commissaris bij Goldman Sachs.

In 2007 werd opnieuw een oud-bestuursvoorzitter van Goldman minister van Financiën: Henry Paulson Onder diens leiding was de zakenbank begonnen met de grootschalige ontwikkeling van risicovolle hypotheekproducten – terwijl de directeur van de Federal Reserve in New York, Timothy Geithner, de andere kant opkeek.

Toen tijdens de financiële crisis onder meer Fannie, Freddie, Goldman en Citigroup moesten worden gered met belastinggeld, gebeurde dit onder toezicht van eerst Henry Poulsen en later Timothy Geithner.

Jimmy Johnson is tegenwoordig een gerespecteerd lid van het politieke establishment, die pas opstapte als adviseur van president Obama toen de pers ontdekte dat hij fikse kortingen op persoonlijke leningen had ontvangen van Countrywide Financial. Johnsons opvolger bij Fannie, Franklin Raines, verliet Fannie na een boekhoudschandaal, mét een genereuze bonus. Henry Poulson en Robert Ruben werden fellow bij denktanks in Washington, respectievelijk bij Johns Hopkins en bij Brookings Institution.

„De hoofdpersonen zijn niet verantwoordelijk gesteld voor hun daden. Het achterwege blijven daarvan schept een gevaarlijk precedent”, schrijven de auteurs van ‘Reckless endangerment’ in hun slothoofdstuk. „Een systeem dat dit toelaat deugt eenvoudigweg niet.”

De conservatieve commentator David Brooks begrijpt de nauwelijks verholen woede van de auteurs. „Ze beschrijven het alsof er grote misdaden zijn begaan. Maar er zijn geen misdaden begaan”, zo schreef hij in zijn column in The New York Times. „Dit is gewoon hoe Washington functioneert.”

Juist dat maakt het Fannie Mae-schandaal volgens Brooks „het belangrijkste politieke schandaal sinds Watergate. Het zorgde ervoor dat de Amerikaanse economie instortte. Het heeft belastingbetalers tot dusver 153 miljard dollar gekost. Het is een aanklacht tegen de gedragingen die in Washington normaal en respectabel worden geacht.”