En het water werd stof

Een geschiedenis van 8000 jaar, en een reis van 3000 kilometer. Een Britse wetenschapster biografeerde de Indus; eens de machtige Leeuwenrivier, nu bij de monding nog maar een klein stroompje. Het werd een kritisch epos over hoop en teloorgang.

Alice Albinia: De Indus. Biografie van een rivier. Vert. Arthur de Smet. De Bezige Bij, 496 blz. € 27,50

Bij het Pakistaanse Attock komt de rivier Kabul, bruin van het Afghaanse slijk, uit in de Indus, ijsblauw van het smeltwater uit de Tibetaanse bergen. Nadat ze zijn samengekomen vloeien de bruine Kabul en de blauwe Indus een paar honderd meter naast elkaar verder. Pas als ze het rode zandstenen fort op de oever gepasseerd zijn lost het bruin op in het blauw. Dit strategisch gelegen fort is vooral bekend omdat het de gevangenis was van president Zardari, toen hij beschuldigd werd van corruptie (de processen zijn nog altijd niet gevoerd). Oud-premier Sharif stond er terecht nadat generaal Musharraf hem met een staatsgreep had afgezet.

Hoeveel kan één, nu tamelijk onbeduidende, plaats vertellen over de geschiedenis van een land, een continent, de wereld? In Attock komen duizenden jaren aan veroveringen bijeen. De Perzische koning Darius liet vanaf dit punt de Indus verkennen om India te kunnen inlijven in zijn rijk. Alexander de Grote trok er doorheen toen het zijn beurt was om India te veroveren. Later volgden onder anderen de Afghaanse sultan en jihadist Mahmud (elfde eeuw) en de Mogolkeizer Babur (16de eeuw).

Baburs kleinzoon Akbar liet het fort bouwen om het Mogolrijk te beschermen tegen Afghaanse invallen. Volgens de legende noemde hij het Atak (Obstakel), wat later Attock werd. In de 19de eeuw, nadat het fort korte tijd in handen was geweest van de sikhs, probeerden de Britten van hieruit juist Afghanistan te veroveren. Het eindigde meerdere malen in een bloedige nederlaag.

De Britse Alice Albinia (1976), docent Engelse literatuur en Zuid-Aziatische geschiedenis aan Cambridge, rijgt al deze tijdperken aaneen aan de hand van een reis langs de Indus. Vorige week verscheen De Indus. Biografie van een rivier, de Nederlandse vertaling van Empires of the Indus. The Story of a River (2008), waarmee ze drie Britse prijzen won. Albinia begint bij de monding in de Arabische Zee, bij de miljoenenstad Karachi, en reist terug in de tijd tot de bron in Tibet. De rivier die India zijn naam gaf, en waar het hindoeïsme ruim drieduizend jaar geleden zijn oorsprong vond, ligt sinds de afscheiding in 1947 vrijwel geheel in Pakistan.

Dat het boek is geschreven toen Musharraf nog aan de macht was, toen Benazir Bhutto en Osama bin Laden nog leefden, maakt gezien de enorme periode die het behandelt niets uit. In Pakistan is de afgelopen drie jaar minder veranderd dan de nieuwe burgerregering beloofde. Je zou hoogstens kunnen zeggen dat het moslimextremisme nog iets is gegroeid, het sektarisch geweld nog iets is toegenomen en de staat nog iets slechter voor de bevolking is gaan zorgen dan voorheen. Attock is de afgelopen jaren alleen nog in het nieuws geweest wegens de ontvoering van een Poolse ingenieur, die later werd onthoofd.

De Indus is een boek over teloorgang. Van de rivier zelf, die opdroogt als gevolg van slecht doordachte irrigatieprojecten, maar vooral van de culturele en religieuze rijkdom die het huidige Pakistan in de afgelopen achtduizend jaar gekend heeft. En ten slotte gaat het over de teloorgang van die geschiedenis zelf, want, zo merkt Albinia op: veel Pakistanen zijn niet bijster geïnteresseerd in de gebeurtenissen in hun land van voor de komst van de islam. Het leidt ertoe dat ze tijdens haar reis vaak op zoek moet naar die ene goede ziel die zich vrijwillig over een verkruimelend heiligdom ontfermt.

Hoewel het boek veel reden tot

Vervolg op pagina 2

De Indus, van Karachi tot de Himalaya

somberheid geeft, is het geschreven met een aanstekelijke geestdrift. De auteur maakt een voettocht in het spoor van Alexander, klautert over rotsen om gravures van vroegere beschavingen te herontdekken, reist in boerka door het land van Al-Qaeda en maakt een omweg van 4.000 kilometer om van Pakistaans Kashmir naar de Indiase kant te komen. Reisverslagen wisselt ze af met stukken grondig uitgezochte, vlot geschreven geschiedenis.

Op de eerste bladzijde klaagt Albinia nog dat ze zwak en moe is van het meedoen aan de ramadan, en dat ze is flauwgevallen. Maar snel daarna gaat ze over op een prettige no-nonsense stijl. De lezer wordt weinig lastiggevallen met details over de auteur zelf en de praktische organisatie van de reis. Vaak volstaat een mededeling als: ‘ik koop een plaats in een jeep naar ...’ in een onmogelijk gebied, of: ‘mijn gids is ...’.

Des te meer ruimte is er voor informatie waar de lezer iets aan heeft. Albinia heeft een opmerkingsgave die ook lezers die al goed thuis zijn in Zuid-Azië kan verrassen. Over het ontstaan van Pakistan na de splitsing van India schrijft ze: ‘Hier riskeer je je leven door de godsdienst af te wijzen en je te laten verleiden door het zielloze solipsistische materialisme van het Westen – het is een ontkenning van de offers die je ouders en grootouders hebben gebracht door uit India te emigreren.’ Dat Pakistaan zijn vrijwel automatisch betekent dat je moslim bent, dat andere smaken uitgesloten zijn, was bekend. Maar dat de grote vroomheid van bijna alle Pakistanen mede voortkomt uit respect voor het leed van de vorige generaties, is scherp gezien.

Die andere smaken zijn er vóór de stichting van het Land van de Zuiveren (Pak-i-stan) volop geweest. De Swat-vallei bijvoorbeeld, waar moslimextremisten in 2007 met goedkeuring van de regering de shari’a invoerden, is meer dan 1.600 jaar boeddhistisch geweest. Chinese pelgrims reisden in de 7de eeuw vijftienduizend kilometer om de geïsoleerde vallei te bezoeken.

Vlak buiten de hoofdstad Mingora, waar in 2008 dagelijks ‘Amerikaanse spionnen’ op het centrale plein werden opgehangen, en waar het leger een jaar later met een bruut offensief een miljoen burgers op de vlucht joeg, liggen de restanten van een belangrijk boeddhistisch heiligdom. Tenminste, dit was het geval toen Albinia de plaats bezocht, vóór 2007. Ze trof er een grote diversiteit aan invloeden: ‘lotusbloemen uit India, Korinthische pilaren uit Griekenland, zuilen uit Persepolis in Perzië, Romeinse cupido’s.’

In de huidige tijd zijn er waarschijnlijk geen religies te vinden die sterker verschillend beoordeeld worden dan het boeddhisme en de islam, betoogt de auteur, maar in de omgeving van de Indus hebben ze intensief met elkaar in contact gestaan. Toen de shi’ieten in de 9de eeuw het Afghaanse Bamiyan bereikten, vereerden ook zij de reusachtige boeddhabeelden die de Talibaan in 2001 opbliezen.

Ook het hindoeïsme, dat is ontstaan langs de oevers van de Indus, is nu bijna geheel uit Pakistan verdwenen. De Rig Veda, de ruim drieduizend jaar oude Sanskritische tekst, is een lofzang op de natuur, waarin de Indus centraal staat. Uit latere Sanskritische teksten blijkt dat de mensen van de Rig Veda zich in de loop van de tijd meer op het oosten gingen oriënteren. Niet de Indus, die vaak overstroomde en zijn loop verlegde, maar de Ganges werd de heiligste rivier.

De hindoes die na de scheiding in 1947 zijn achtergebleven in Karachi leiden een marginaal bestaan. Ze worden getolereerd om dat ze de riolen schoonmaken, werk dat voor moslims verboden is. Tegenwoordig kunnen hindoefundamentalisten in India maar nauwelijks verkroppen dat de Indus niet meer van hen is. Sinds eind jaren negentig organiseert de politicus L.K. Advani jaarlijks een pelgrimage naar het noordelijke Ladakh om de Indus te ‘zuiveren’ met water uit de Ganges en de Brahmaputra, voordat die Pakistan instroomt.

Zoals de verscheidenheid in religie verloren ging, zo tragisch is ook het lot van de rivier zelf. De ooit machtige Leeuwenrivier (zoals de Pashtuns hem noemen) is bij de monding nog maar een stroompje, het gevolg van de enorme irrigatieprojecten die de Britten hebben aangelegd in de provincie Punjab. Opeenvolgende Pakistaanse leiders hebben na de onafhankelijkheid het aantal grote dammen alleen maar uitgebreid, vaak ten behoeve van landbouwgrond voor het leger. India heeft een aantal toestromende rivieren afgedamd, de Chinezen hebben een waterkrachtcentrale gebouwd bij de bron in Tibet.

Was de Punjab vroeger bedekt met een woud vol tijgers en neushoorns, nu heeft op veel plaatsen het stof de overhand. De sikhs die een pelgrimage maken naar de geboorteplaats van hun goeroe kunnen geen heilig bad meer nemen in de rivier, maar nemen als aandenken stof mee terug naar India. ‘In het voorportaal van de centrale gurdwara [heiligdom] stuit ik op een hurkende vrouw die de matten die daar zijn neergelegd wegtrekt en stof verzamelt in een stuk papier. „Wat doet ze daar?” vraag ik aan een man met een felgele tulband. Hij bukt zich en neemt wat stof tussen zijn vingers: „Het stof van Nankana Sahib is heilig voor ons”, en hij laat het als suikergoed op zijn tong vallen.

Albinia waagt het om onverbloemde kritiek te hebben op de staat Pakistan, en op zijn grondlegger Mohammed Ali Jinnah. De moslimstaat waar zo hard voor gestreden was, en waar de straten met goud geplaveid zouden zijn, ‘bleek vanaf het begin disfunctioneel’, schrijft ze. Over Jinnah, die prijs stelde op de titel Quaid-i- Azam (Grote Leider), zegt ze: ‘Hij bevorderde de concentratie van macht rond zijn eigen persoon en deed niets om de verafgoding door zijn volgelingen te temperen. Het was alsof Jinnah vergeten was dat het bij de onafhankelijkheidsstrijd niet alleen om de bevrijding van buitenlandse overheersing te doen was geweest, maar ook om de bevrijding van het totalitarisme.’

Met dit soort uitspraken kun je het halve land over je heen krijgen. Veel Pakistanen hebben het gevoel dat ze zich voortdurend moeten verdedigen tegen veroordelingen en vooroordelen. Maar je zou zeggen dat Albinia in een positie is om dit commentaar te leveren, omdat ze zo ontzettend veel van het land weet, en er overduidelijk van houdt.

Ze ontmythologiseert niet alleen de grote leider, maar ook de grote veroveraar Alexander. Aan de hand van verslagen in de Griekse overlevering trekt ze vijftien dagen in het voetspoor van ‘Iskunder’ langs de rivier naar Pirsar, waar hij de bergstammen versloeg. In 327 voor Christus had hij de hele Indusvallei onder controle, maar dat was van korte duur. In 305 voor Christus had Chandragupta Maurya, grootvader van de latere keizer Asoka, het hele gebied alweer heroverd. De steden die Alexander had gesticht waren door rivieren opgeslokt of ingenomen, zijn soldaten huiswaarts gekeerd. Hij heeft zo weinig indruk gemaakt dat geen enkele Indiase schrijver of historicus iets over hem heeft vastgelegd, merkt Albinia op.

Met dergelijke observaties voegt dit boek echt iets toe aan de bestaande literatuur over het subcontinent. Het is uitdrukkelijk geen politieke geschiedenis, zoals het onlangs verschenen boek van Anatol Lieven (Pakistan, A Hard Country, in Boeken besproken op 12-05-11). Soms buitelen de historische feiten wat over elkaar heen, maar dat is niet raar als er achtduizend jaar geschiedenis bij elkaar geschreven moet worden. Vooral het gemak waarmee Albinia schakelt tussen het verleden en haar eigen belevenissen, zonder ook maar ergens uit de bocht te vliegen, maakt van De Indus een fantastisch rijk en uitbundig werk. Albinia is moedig en wijs en weet ook écht iets.

Haar boodschap aan het Westen, en aan India: Pakistan is meer dan een groeiende groep moslimextremisten en een corrupt leger met een onbekend aantal atoombommen. Niet dat Amerikaanse generaals door dit boek opeens de Pakistaanse ziel zullen begrijpen, daarvoor is die veel te gefragmenteerd. Maar ze mogen best weten hoe rijk de cultuur is van het land waarmee ze al zo lang een uiterst moeizame relatie hebben. En tegen de Pakistanen zelf zegt ze: zie eens hoe jullie die rijkdom laten verkommeren, terwijl jullie ruzie maken.