Eindelijk is Odojevski vertaald - en meteen twee keer

Vladimir Odojevski: Het jaar 4338 en andere verhalen Vert. door Aai Prins, Hoogland & Van Klaveren, 128 blz. €14,90

Tot voor kort was Vladimir Odojevski (1803-1869) in Nederland onbekend. Dat is niet vreemd. Dit veelzijdige talent van adellijke komaf was in zijn eigen tijd weliswaar een van de centrale figuren in het Russische literaire en intellectuele leven, dat toen balanceerde tussen Verlichtingsgeloof en de idealen der Romantiek, maar had het ongeluk een tijdgenoot te zijn van grootheden als Poesjkin, Tolstoi en Dostojevski. Bovendien schreef Odojevski vooral (toekomstgerichte) fantasieverhalen: niet het genre waarvan het gemiddelde Nederlandse lezershart direct sneller gaat kloppen.

Wellicht gaat dat nu veranderen. Want hij is, gelukkig, eindelijk vertaald. Sterker: hij is dadelijk tweemaal vertaald. Onafhankelijk van elkaar hebben twee Slavisten zich op Het jaar 4338 gestort: ‘meester’ Willem Weststeijn koos voor de taal en volgde nauwkeurig de oorspronkelijke tekst, afgedrukt naast de vertaling. Zijn ‘leerling’ Aai Prins koos ook voor Odojevski’s vertaalde behalve de novelle nog drie andere anti-utopische verhalen, die Odojevski treffend karakteriseren.

Weststeijns vertaling leest wat soepeler. ‘Vliegen’ is bij hem consequent ‘vliegen’, terwijl Prins soms het archaïsche ‘luchtvaren’ gebruikt. Weststeijn noemt Sint-Petersburg (anno 4338 overigens ‘het centrum van de wereldbeschaving’, gevolgd door China, terwijl Europa niet meer bestaat) ‘een magnifieke stad’, terwijl Prins diens ‘grandeur’ benoemt. En de zogenaamde ‘maand van ontspanning’ – de periode dat de verteller in Sint-Petersburg verblijft, waarvandaan hij zijn Chinese collega-student brieven schrijft – is volgens Weststeijn ‘de meest ongunstige’ en volgens Prins de ‘allerongunstigste tijd’ voor een bezoeker, omdat alles dan tot stilstand komt.

In beide vertalingen valt vooral op hoe toegankelijk Odojevski nog steeds is en hoe herkenbaar hij de toekomst aangenaam cynisch en overtuigend schetst. Zeker, de snelheid waarmee de technologie zich heeft ontwikkeld en dat bijvoorbeeld een vliegreis van Peking naar Sint-Petersburg nu niet ‘slechts’ acht dagen, maar acht uur kost, kon Odojevski niet bevroeden. Het zijn ook niet de technische, (on)juiste feitelijkheden die boeien, maar de filosofische en sociaal-politieke vragen die Odojevski opwerpt, vanuit het idee (de door het Duits idealisme gedomineerde tijdsgeest passend) dat het instrumentarium van de mens uiteindelijk ontoereikend is in relatie tot het intellectuele doel dat hij zichzelf stelt.

Zo beschrijft hij in Het jaar 4338 de ontwikkeling van ‘een wiskundige formule’ ten behoeve van het snellezen, onder het motto ‘niet de kwaliteit, maar kwantiteit geldt’, en dus de onvermijdelijke teloorgang van het papieren boek. Zo waarschuwt hij in ‘De laatste zelfmoord’ apocalyptisch voor de zoekgeraakte verhouding ‘tussen de voortbrengselen der natuur en de behoeften der mensheid’ als gevolg van de overbevolking. En zo vertelt hij in ‘De stad zonder naam’ bij monde van een eenzame overlevende, hoe door heilig geloof in ‘profijt als de wezenlijke stuwende kracht achter alle handelingen van de mens, […] het feodalisme van de banken’ ten koste van de wetenschappen en kunsten ‘triomfeerden’ en de krachten van de mens ‘verkruimelden’.

‘Maar weinigen kunnen uitdrukkingsmiddelen vinden voor de verre toekomst’, schrijft Odojovski zelf. Zijn verhalen blijken een visionaire uitzondering op zijn eigen regel. Ze dwingen tot nadenken, terwijl het jaar 4338 nog zo ver verwijderd is.

Vladimir Odojevski: Het jaar 4338. Slavische Cahiers, nummer 10, vertaald door Willem G. Weststeijn, Pegasus, 80 blz. € 9,90