Een rondje Jezus, met huurkruis

In vijf dagen werd P.F. Thomése met drie andere schrijvers door Israël en de bezette gebieden gereden. Wat ze deden op ‘God’s own pissing ground’ blijft pijnlijk onduidelijk in een onbevangen-kritisch verslag.

P. F. Thomése: Grillroom Jeruzalem. Contact, 142 blz. € 10,–. Verschijnt 28 juni.

Van 5 tot 10 december 2010, ongeveer een half jaar geleden, maakte P.F. Thomése een reisje naar Israël. Hij ging op uitnodiging van United Civilians for Peace (UPC), een humanitaire organisatie die intussen alweer ter ziele is gegaan. Hij reisde in het gezelschap van drie andere genodigden: Antoine Bodar, Jan Siebelink en Rosita Steenbeek. De bedoeling van de reis: vier bekende Nederlanders inzicht bieden in de gespannen politieke situatie in Israël en de bezette Palestijnse gebieden. Met op de achtergrond, neem ik aan, een vredesgedachte. Begrip kweken voor de verschillende gezichtspunten. Een meegereisde cameraploeg van de NCRV maakte opnamen voor een tv-documentaire.

Het heeft iets eigenaardigs om vier op het oog nogal verschillende mensen op zo’n vage vredesmissie te sturen – een missie die bovendien kennelijk in een vloek en een zucht geklaard moest worden. Thomése spreekt in Grillroom Jeruzalem, waarin hij snedig en geestig verslag doet van zijn Israëlische belevenissen, zijn bedenkingen uit bij de hele onderneming. ‘Nee, ik weet ook niet waarom ze mij hebben uitgenodigd.’ Ook deelt hij maar meteen mee dat hij niet de illusie koestert veel bruikbaars toe te kunnen voegen aan ‘dit dichtbeschreven gebied’. Opmerkelijk bij zulke bescheiden pretenties is dan de snelheid waarmee hij afkwam met dit reisverslag. Wilde hij zijn reisgenoten het gras voor de voeten wegmaaien? Of was het van meet af aan duidelijk dat hij zich, als enige niet-gelovige, op zou werpen als boven alle partijen staande verslaggever?

Uit Grillroom Jeruzalem spreekt niet meteen een totaal nieuwe visie op Israëliërs en Palestijnen of op de voortdurende spanning tussen Joden en Arabieren. Dat valt ook niet te verwachten van iemand die in krap vijf dagen met een minibusje door Bethlehem, Hebron, Jeruzalem en de Gaza-strook wordt gesleept en tussendoor ontmoetingen heeft met doodzieke Palestijnse geleerden en diverse geestelijke leiders. Bijzonder is wel, zeker bij dit beladen onderwerp, de frisse, onbevangen-kritische toon van het verslag. Of het nu gaat over ‘het topgraf’ van Arafat, over de ‘godsdienstgek’ die in 1994 tijdens de ramadan een slachting aanrichtte in een moskee, of over het oude Jeruzalem, waar je ‘een rondje Jezus’ kunt doen, al of niet uitgerust met een huurkruis.

In Grillroom Jeruzalem is een nieuwsgierige toeschouwer aan het woord, die verbaasd rondwandelt over ‘Gods own pissing ground’. Thomése treedt nergens op de voorgrond en blijft zoveel mogelijk uit beeld. Uit gêne? Of vooral uit onmacht of onwil om een ferm standpunt in te nemen? En dus zie je hem zwalken. De ene keer geeft hij af op machtsbeluste Israëlische grenswachten, de andere keer op luie Palestijnen die hun troep niet opruimen. Hij heeft medelijden met de Palestijnse taxichauffeur die in Jeruzalem behandeld wordt als tweederangs burger, maar is bang voor de ‘opgefokte gebedsoproeper’ in zijn minaret, ‘die ons vanuit zijn sniper position zou kunnen neerknallen.’

Hoofdschuddend neemt hij waar hoe zijn metgezellen voor de camera veel te grote woorden gebruiken om lucht te geven aan hun verontwaardiging over Palestijnen die ‘om veiligheidsredenen’ door Israëlische soldaten uit hun huizen worden gezet. Antoine Bodar flapt er een krasse vergelijking uit met het Derde Rijk. En ook ‘Sieb’ laat zich niet onbetuigd. Hij ‘piept iets over slachtoffers, die beulen zijn geworden.’ Maar na een bezoek aan de desolate Gazastrook, waar 1,5 miljoen Palestijnen opeengepakt zitten in miezerige omstandigheden, neemt ook Thomése toch een paar keer zijn toevlucht tot ‘historisch beladen termen’. Ik noteerde ‘Atlantikwall’, ‘Dachau’, ‘Endlösung’ en ‘Nazi-Duitsland’.

In de loop van vijf dagen neemt zijn betrokkenheid bij de verdrukte Palestijnen geleidelijk toe. Al is hij zich, bij een bezoek aan bezet gebied, juist ook extra bewust van zijn eigen misplaatstheid en stelt hij besmuikt vast dat hij de Israëliërs nog altijd beschouwt als bondgenoten. Hij voelt de haat van de arme Gazastrookbewoners voor het mondaine gezelschapje dat ‘een dag komt aanwaaien’ uit steden als Rome en Amsterdam. Ook ervaart hij hoe moeizaam de dialoog met de Palestijnen is als hij en zijn collega’s aan een klas met veertig moslimmeisjes moeten uitleggen wat ze in Israël te zoeken menen te hebben. ‘Wie het weet, mag het zeggen’, staat er dan, even grappig als hulpeloos.

Na dit debacle realiseert Thomése zich eens te meer dat hij als een soort schim rondloopt in de Palestijnse gebieden, hoe hij er ook zijn ogen uitkijkt. ‘Ik ben een afwezige’, schrijft hij. ‘Ik ben er pas wanneer ik erover na kan denken.’ Hij is er dus pas als hij, eenmaal veilig weer thuis, in zijn mooie, tot nadenken prikkelende zinnen kan beschrijven hoe het is geweest. De missie waarop hij werd uitgezonden was al bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Thomése bracht geen vredelievende gedachten naar het land van Joden en Arabieren. Of ook maar enige hoop op betere tijden. Hij háálde er alleen maar iets: stof voor een akelig amusant verhaal over een onoplosbaar probleem.