Een negerzoen smaakte beter dan een Buys’ zoen

Gisteren werd in het Amsterdamse Oosterpark een kopie van het titelblad van de historische roman Het Negerboek van de Canadese schrijver Lawrence Hill verbrand. Initiatiefnemer was Roy Groenberg, voorzitter van de stichting Eer en Herstel Slachtoffers van Slavernij in Suriname. Een vreemd protest, aangezien de titel helemaal niet als doel heeft mensen te schofferen –

Gisteren werd in het Amsterdamse Oosterpark een kopie van het titelblad van de historische roman Het Negerboek van de Canadese schrijver Lawrence Hill verbrand. Initiatiefnemer was Roy Groenberg, voorzitter van de stichting Eer en Herstel Slachtoffers van Slavernij in Suriname.

Een vreemd protest, aangezien de titel helemaal niet als doel heeft mensen te schofferen – het boek heeft niet als ondertitel ‘Waarom de neger door de geschiedenis heen zo abominabel presteert in cricket.’ De titel refereert aan een historisch gegeven: ‘The Book of Negroes’ was een register waarin slaven werden opgenomen die van Amerika naar de Canadese kolonie Nova Scotia werden getransporteerd. Boos worden op boeken die verwijzen naar de geschiedenis lijkt me een vrij eindeloze zaak.

Zoals maandag al in deze krant stond, laaide de woede van Roy Groenberg al eerder op: hij probeerde het woord ‘neger’ uit het woordenboek te bannen en was degene die de negerzoen uiteindelijk voor eeuwig in het vagevuur liet verdwijnen – een politiek correcte zet waar de fabrikant gretig gebruik van maakte, maar die ik toch betreur. Een negerzoen smaakte beter dan een Buys’ zoen. Een Buys’ zoen heeft iets stoffigs.

De negerzoen-, Negerboekverbranding-, en negerwoordenboekaffaire laten wat mij betreft zien dat Roy Groenberg een fanaticus is, en dat zijn meestal niet de beste mensen om naar te luisteren. Toch is ‘neger’ een ingewikkeld woord. Vroeger gebruikte ik het veel en met graagte. Ik was er volledig van overtuigd dat het in deze tijd niet meer nodig was om overdreven aanstellerig te doen over zulke woorden. Buiten een stel activisten vond niemand dat nog belangrijk – slechts de intentie waarmee iemand het gebruikte, telde. Toen ik een boek schreef over een aantal reizen door Afrika, dacht ik er verder niet over na en gebruikte het woord waar ik het nodig had.

Tot ik bij een radio-interview kwam, en de presentator mij vertelde dat hij er echt aanstoot aan had genomen. Nu hoef je natuurlijk niet altijd rekening te houden met gekwetste gevoelens, daar is geen beginnen aan.

Toch ging ik er over nadenken: zouden er meer mensen zijn zoals die presentator: jong, slim en negertermgevoelig? Hoewel ik het woord vaak gebruikte, hechtte ik er ook weer niet zoveel waarde aan dat ik het per se wilde blijven zeggen – als het mensen echt kwetste, was ik de kwaadste niet.

Vanaf dat moment begon echter de kramp. Het onhandige zoeken naar woorden, het aarzelen, het schuldig om me heen kijken of iemand het had gehoord en misschien tóch kwaad was, het overcompenseren. Ik voelde me door dit alles racistischer dan ooit tevoren.

Daarom lijkt het mij zo fijn als we gezamenlijk kiezen: óf we laten de taal zijn beloop: sommigen zeggen het een, anderen het ander, en we proberen vooral te letten op intentie. Of we houden een landelijk referendum, waar alle alternatieven worden voorgesteld: zwart, donker, Afro-Europeaan, gekleurd, donkere medemens, uit het Zuiden. Zodat we allemaal uit de kramp kunnen komen. En zoenen kunnen gaan eten.