Een gestoord genie

Niemand weet zoveel over de wereldkampioen schaken Bobby Fischer als Frank Brady. Na lezing van diens biografie krijg je groot medelijden met de gek geworden schaker.

Frank Brady: Eindspel. Het wonderbaarlijke leven van schaaklegende Bobby Fischer. Thomas Rap, 478 blz. €29,90

Bobby Fischer, geboren in 1943, werd wereldkampioen schaken in 1972 en stierf in 2008 op IJsland als vluchteling voor de Amerikaanse justitie. Het is bijna veertig jaar geleden, dat wereldkampioenschap, maar nog steeds lijkt het alsof er voor de grote wereld maar één schaker bestaat, Bobby Fischer.

Toen Frank Brady’s biografie Endgame in het begin van dit jaar verscheen, kwam die meteen op de bestsellerlijst van The New York Times. In dezelfde tijd ging op het Amerikaanse Sundance festival de film Bobby Fischer against the World in première, een lange documentaire van Liz Garbus. Deze maand verschijnt een fotoboek over Fischer van de Amerikaanse fotograaf Harry Benson en verder is er gemeld dat David Fincher, bekend van films als Fight Club en The Social Network, een speelfilm over het leven van Fischer voorbereidt.

Hoe is het mogelijk, al die aandacht? Zijn er later soms geen interessante schakers meer geweest? Gari Kasparov was vijftien jaar wereldkampioen, Fischer slechts drie jaar. Maar zijn hele carrière lang moest Kasparov dezelfde vragen beantwoorden van journalisten: zou hij van Fischer winnen als die terugkeerde in de schaakwereld? En wist hij misschien waar Fischer woonde?

Het gaat er natuurlijk niet om dat Fischer inderdaad een geweldige schaker was, het gaat om zijn levensloop, die bondig wordt samengevat in de ondertitel van Endgame: Bobby Fischers Opmerkelijke Opkomst en Ondergang – van Amerika’s Schitterendste Wonderkind tot de Rand van de Waanzin. Voor de Nederlandse vertaling Eindspel, die deze maand bij uitgeverij Thomas Rap verscheen, is de ondertitel versoberd tot Het wonderbaarlijke leven van schaaklegende Bobby Fischer.

Het verhaal van opkomst en ondergang, dat missen de opvolgers van Fischer. Ze zijn niet ten ondergegaan en ze zijn niet gek geworden, hoogstens schaken ze iets minder sterk dan in hun gloriejaren. Fischers opkomst duurde tot 1972, toen hij het wereldkampioenschap, dat vanaf 1948 het natuurlijk eigendom van de Sovjet-Unie was geweest, veroverde in een partij tegen Boris Spasski. Het werd een mediaspektakel dat de grenzen van de schaakwereld ver overschreed, onder meer door het wispelturige gedrag van Fischer, die aanvankelijk niet kwam opdagen bij de wedstrijd, die in Reykjavik werd gespeeld.

Kissinger

In Moskou had het Centraal Comité van de Communistische Partij zich intensief met de voorbereidingen op de ontmoeting bemoeid. In Washington belde Henry Kissinger, Adviseur voor Nationale Veiligheid onder president Nixon, Fischer op om hem te overreden de partij te spelen: ‘De Amerikaanse regering wenst je succes en ik wens je succes.’ De match ging door. Pasgeboren tweelingen werden door schaakminnende ouders Boris en Bobby genoemd.

Fischer had beloofd dat hij veel zou spelen als hij wereldkampioen werd, maar hij speelde helemaal niet meer – tot 1992, toen hij in het door oorlog gekwelde Joegoslavië nog eens tegen Spasski aantrad. Hij spuwde toen voor de camera’s op een boodschap van de Amerikaanse regering die hem verbood in Joegoslavië te schaken. Kasparov schreef later: ‘De spookverschijning had zijn vergunning om ons te blijven obsederen weer voor een tijdje verlengd.’ De geestelijke teloorgang van Fischer was al ver voor 1992 begonnen en de diepte van de val wordt duidelijk door een verschrikkelijk citaat dat Brady geeft uit een manuscript van Fischer met als datering 17 januari 1999: ‘Helaas zijn we op dit moment niet sterk genoeg om alle joden uit te roeien. Dus wat we naar mijn mening moeten doen, is burgerwachten instellen die willekeurige joden vermoorden.’ Hij was niet altijd zo geweest. Bij een toernooi in Israël in 1968 vroeg ik hem hoe het zat met zijn antisemitisme, waarover ik wel eens gehoord had. Fischer zei toen: „Ja, ik was vroeger antisemiet, maar dat was stom van me. Bovendien ben ik zelf half jood, dus wat moet ik antisemiet zijn?”

Frank Brady is als geen ander gekwalificeerd om een biografie van Fischer te schrijven. Hij was in zijn jeugd bevriend met Fischer en hij was redacteur van schaaktijdschriften en bestuurder van de Amerikaanse schaakbond. Zijn biografieën over Aristoteles Onassis, Hugh Hefner, Barbra Streisand en Orson Welles laten zien dat hij geen man is die zich met tuinkabouters bezighoudt. Voor deze Fischer-biografie had hij toegang tot dossiers van de KGB en de FBI en vele ongepubliceerde documenten van en over Fischer. Hij sprak met bijna iedereen die iets over Fischer kon vertellen. Er is niemand die zoveel over Fischer weet als Brady.

Als het om andere schakers gaat, is hij soms op minder vaste grond. Een kras voorbeeld is wat hij schrijft over de Nederlandse wereldkampioen Max Euwe, die in 1957 in New York twee partijen tegen de jonge Bobby speelde. Brady schrijft over Euwe: ‘Ondanks zijn vriendelijke manier van doen lag de strijd hem goed en, onwaarschijnlijk genoeg gezien zijn academische achtergrond en schaakcarrière, was hij ooit Europees amateurbokskampioen bij de zwaargewichten geweest.’ Onwaarschijnlijk genoeg, dat kun je wel zeggen. De kleine kern van waarheid in dit wonderlijke verhaal is dat Euwe bokslessen nam toen hij zich fysiek voorbereidde op zijn match om het wereldkampioenschap tegen Aljechin in 1935.

Tirade

Na zijn tweede partij tegen Spasski in 1992 werd Fischer een zwerver die eerst in Hongarije en later op de Filippijnen en in Japan woonde. Hij schuimbekte regelmatig in uitzendingen van een Filippijns radiostation en zelfs iemand die geen woord Engels kende, kon horen dat er iets grondig mis met hem was. In zijn meest curieuze tirade zei hij dat de joden de olifanten wilden uitroeien, omdat de slurven hen deden denken aan de onbesneden penissen van gojse mannen. Bij de aanval op het World Trade Center, kwam hij rechtstreeks in de uitzending en jubelde hij dat het een geweldige dag was.

In 2004 werd hij in Japan gearresteerd nadat de Amerikaanse overheid zijn paspoort ongeldig had verklaard. Na negen maanden detentie werd hij gered door IJsland, dat hem in een speciale parlementszitting tot staatsburger had gemaakt. Daar stierf hij in 2008 nadat hij medische behandeling van zijn nierfalen had geweigerd; koppig tot het eind.

Een eerder boek van Brady over Fischer, uit 1973, was bijna een hagiografie. De allesvergevende adoratie is er nu wel af, maar een eenzijdig requisitoir is Eindspel gelukkig ook niet geworden. Als je het uit hebt, voel je vooral groot medelijden met Bobby, tenminste, zo ging het met mij.

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

In de bespreking van de biografie van Bobby Fischer (‘Een gestoord genie’, Boeken, 23-06-11) is door een eindredactionele ingreep ten onrechte drie keer het woord ‘match’ vervangen door ‘partij’.