Dit pensioenakkoord is een historische stap

Vier vooraanstaande economen vinden dat het pensioenakkoord een brug slaat tussen jong en oud. Het is een moedig akkoord. Onaangename zaken worden niet uit de weg gegaan.

Het pensioenakkoord neemt drie historische stappen voorwaarts. In de eerste plaats zullen pensioenfondsen de deelnemers voorlichten over de koopkrachtrisico’s. In plaats van de kop in het zand te steken, kiest het pensioenakkoord de moedige weg van het benoemen van de risico’s. Zo dicht het akkoord de kloof tussen de onrealistische verwachtingen van veel deelnemers die hun pensioen gegarandeerd wanen en de harde realiteit dat de toekomstige koopkracht van pensioenen onzeker is.

Het akkoord neemt terecht afstand van het verzekeringsmodel. De garanties in euro’s van nu geven wel een veilig gevoel, maar draaien de deelnemers een rad voor ogen. In de eerste plaats bestaat het risico dat inflatie de koopkracht erodeert. Een tweede risico is dat hun rechten worden afgestempeld. (Veel fondsen blijven ook bij lage dekkingsgraden beleggen in aandelen en laten renterisico’s openstaan om het indexatiepotentieel te behouden.) Ten derde blijft de verdeling van de risico’s onduidelijk.

Het akkoord maakt aan deze derde onzekerheid gelukkig een eind door vooraf verdelingsregels af te spreken. De helderheid over het verdelen van eventuele toekomstige pijn leidt nu wel tot ongenoegen bij belanghebbenden. Dit komt doordat fondsen nu nog niet duidelijk zijn over wie bij lage dekkingsgraden de eigenaar wordt van neerwaartse risico’s. De verschillende partijen interpreteren de oude, onduidelijke contracten in hun voordeel. Zo nemen gepensioneerden gegarandeerde pensioenen als uitgangspunt. Daarbij vangen de premiebetalers de eventuele neerwaartse schokken op. Jongeren gaan daarentegen er vanuit dat ze onder het huidige contract geen herstelpremies of andere risico’s hoeven te dragen. Beide partijen leggen het bestaande contract in hun voordeel uit.

In het nieuwe pensioencontract vangen de werkenden de beleggingsrisico’s niet meer op via fluctuaties in de premie, maar in de opgebouwde pensioenaanspraken. Gepensioneerden kunnen niet meer uitgaan van een gegarandeerd nominaal pensioen. Wel worden ze ontzien, doordat schokken worden uitgesmeerd over een periode van maximaal tien jaar. Zo delen werkenden en gepensioneerden in de pijn.

Een tweede winstpunt van het akkoord is het koppelen van de AOW-leeftijd en pensioenleeftijd aan de levensverwachting. Jongeren krijgen later pensioen, maar profiteren – doordat ze langer leven – toch nog langer van hun pensioen dan de huidige ouderen. Door te stoppen met de kostenstijgingen die uit de langere levensverwachting voortvloeien, beëindigen de sociale partners de voortdurende druk op de loonruimte. De vakbeweging krijgt meer mogelijkheden om betere arbeidsvoorwaarden uit het vuur te slepen.

Last but not least is het derde winstpunt dat het akkoord lage inkomens ontziet, door de AOW extra te indexeren. Dit leidt ertoe dat ook mensen met een klein aanvullend pensioen – met vaak een kortere levensverwachting – al voor de AOW-leeftijd hun AOW kunnen opvragen, zonder daardoor onder het sociale minimum te zakken.

Wel moet nog veel werk worden gedaan. Zo moet de communicatie over de pensioenonzekerheid aan deelnemers nog worden uitgewerkt. Heel wat werknemers zullen onaangenaam worden verrast door de grote onzekerheid over de koopkracht van hun pensioen. Dit is een extra reden om hard te werken aan de emancipatie van oudere werknemers op de arbeidsmarkt, om werknemers de kans te geven om eventuele schokken op te vangen door wat langer door te werken en/of extra premie te storten.

Het meeste gevoelige politieke punt betreft de verdeling van het bestaande financieringstekort en het dichten van de verwachtingskloof. De hoogte van het verondersteld rendement – de discontovoet – en de daarbij horende sturingsregels spelen een belangrijke rol bij de verdeling van dat tekort.

Nu afscheid van het verzekeringsmodel wordt genomen, hoeft niet meer te worden gerekend met de (lage) marktrente. Maar als de discontovoet aan het hogere verwachte rendement (inclusief de risicopremie) zou mogen worden gelijkgesteld, dreigt het pensioenakkoord behalve de doorsneesystematiek een tweede overdracht van jong naar oud te institutionaliseren in het pensioenstelsel. Hoewel de werkenden door de uitsmeerperiode de meeste risico’s dragen, wordt de beloning voor dat risico – het hogere rendement – ook uitgekeerd aan de gepensioneerden. Deze tweede overdracht van jong naar oud komt de robuustheid van het pensioenstelsel in een vergrijzende samenleving niet ten goede.

Dit gevaar kan worden bezworen door een prudente disconteringsvoet (verwacht rendement) te kiezen – een disconteringsvoet die hoger ligt dan de risicovrije rentevoet, maar toch lager dan het verwachte rendement bij aandelen en andere risicodragende beleggingen.

Een ander probleem van het akkoord is het ontbreken van duidelijk gedefinieerde eigendomsrechten, nu deelnemers geen vastliggende – nominale – rechten meer kunnen ontlenen aan het pensioenfonds. Toch zal het duidelijk moeten zijn wat een deelnemer heeft opgebouwd, of wat hij mee kan nemen als hij bijvoorbeeld van baan verandert. Onze voorkeur gaat uit naar individuele rekeningen, die op elk moment kunnen worden gewaardeerd in geld.

Het historische pensioenakkoord neemt drie belangrijke stappen voorwaarts. Het toont moed, door een moeilijke boodschap te brengen ten behoeve van de houdbaarheid van het pensioenstelsel op lange termijn.

Nog veel werk moet worden uitgevoerd om het hoofdlijnenakkoord verder uit te werken en om te komen tot een pensioenstelsel dat de vergrijzing kan doorstaan, maar een goede basis is gelegd.

Lans Bovenberg en Theo Nijman zijn hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg. Kees Goudswaard is hoogleraar aan de Universiteit Leiden. Jean Frijns is hoogleraar aan de Vrije Universiteit.Frijns en Goudswaard waren elk voorzitter van de twee commissies die begin 2010 hebben geadviseerd over de toekomst van het pensioenstelsel.