De genade van het inzicht

Met zijn alarmerende analyses van het onbehagen in ‘Homo Sacer’ werd de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben 15 jaar geleden populair op universiteiten. Zijn nieuwe bundel is minder grimmig.

Giorgio Agamben: Naaktheden. Vert. Martijn Buijs. Sjibbolet, 191 blz. € 22,95

In november 1981 publiceerde de fotograaf Helmut Newton in Vogue een tweetal foto’s onder de titel They are coming. Op allebei de afbeeldingen stonden vier vrouwelijke modellen die rijzig en hooghartig op de toeschouwer toeliepen. Hun houding was op beide foto’s precies dezelfde. Het enige verschil was dat zij op de ene naakt waren en op de andere elegant gekleed. Toen Newton de foto’s twee jaar later in een boek publiceerde, had hij de volgorde omgedraaid, alsof wat eerst bekleed was geweest, in tweede instantie zijn onverhulde naaktheid toonde.

De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben haalt de herinnering aan deze wereldberoemde foto’s op in het essay ‘Naaktheid’, het hart van de nu in het Nederlands vertaalde bundel Naaktheden. Het waarom van dat meervoud (alleen in de Nederlandse vertaling) is niet onmiddellijk duidelijk, of het moest zijn om duidelijk te maken dat naaktheid in de geschiedenis niet altijd dezelfde betekenis heeft gehad.

Naaktheid heeft meestal iets vernederends gehad, stelt Agamben vast. Al bij het scheppingsverhaal ging het mis. Na de eerste zonde ontdekten Adam en Eva ‘dat zij naakt waren’ en stelden alles in het werk om hun lichaam te bedekken. De pornografie en het sadisme hebben gretig op deze schaamte voor het naakte lichaam ingehaakt. Ze zijn dol op de onthulling van wat eigenlijk niet getoond wil worden.

Maar niet al het naakt is beladen met schaamte en vernedering. Een danseres kan volledig uit de kleren gaan en volgens Agamben toch door de gratie van haar bewegingen omhuld blijven. Het naakte kind geldt van oudsher als een voorbode van het paradijs, waarin de zuiverheid van de hof van Eden is hersteld. In het vroege christendom moesten dopelingen hun oude kleren afleggen om naakt te worden ondergedompeld in het water, alsof ze vooruitliepen op het toekomstig leven waarin het hun opnieuw zou worden gegeven zonder enige schaamte naakt te zijn.

In de opstellen die in Naaktheden zijn bijeengebracht, betoont Agamben zich een lyrisch en erudiet essayist, die even goed thuis is in de geschiedenis van het recht of de literatuur als de criminologie of de christelijke theologie. Vooral die laatste speelt in deze bundel een belangrijke en soms nogal esoterische rol. Zo wekt Agambens weergave van de middeleeuwse discussies over de status van het verrezen lichaam – heeft het, eenmaal in Gods heerlijkheid opgenomen, nog wel spijsverterings- en, erger nog, uitscheidingsorganen nodig en heeft het nog wel een geslacht? – afwisselend de lachlust en bewondering op. Agamben weet echter goed duidelijk te maken dat het ook in deze vreemde disputen ging om serieuze zaken die nog altijd van betekenis zijn.

Wie het werk Agamben (1942) een beetje kent, zal van die vaststelling niet ondersteboven zijn. Internationaal beroemd werd hij in 1995 met zijn studie Homo sacer, die bijna tien jaar geleden in het Nederlands werd vertaald. Ook daarin wedijveren rechts- en godsdienstgeschiedenis met elkaar, al speelt hier vooral de Romeinse godsdienst de hoofdrol. Maar de inzet van dat boek was allerminst historisch. Agamben probeerde erin te beschrijven wat de plaats van de mens binnen het huidige politieke bestel eigenlijk is.

Zijn conclusies waren niet bemoedigend. In plaats van ‘onderdaan’ te zijn doordat hij als zodanig door de vorst wordt erkend, zo betoogt Agamben in dit vaak nogal breinbrekende boek, ontleent de huidige staatsburger zijn bestaansrecht aan een biologisch criterium: hij is wat hij is dankzij het lichaam dat hij is. Niet toevallig wordt zijn burgerlijke identiteit almaar sterker aan zijn fysieke kenmerken gebonden. In de 19de eeuw begon dat met vingerafdrukken. Nu weet de staat wie wij zijn dankzij irisscans en biometrische paspoorten.

Al die technieken komen voort uit de criminologie, betoogt Agamben. Wie de burger is, wordt vastgesteld vanuit de vraag of hij al dan niet misdadig is, en dus of hij wel een burger is zoals die zou moeten zijn. Uitstoting uit de beschermde sfeer van de wet dreigt voortdurend. Want hoe hardnekkig de moderne staat zich ook een ‘rechtsstaat’ noemt, het oordeel over de vraag wie onder dat recht valt, kan elk moment worden herzien. Daarom groeit het aantal mensen dat door het recht wordt buitengesloten volgens Agamben voortdurend: of het nu gaat om vluchtelingen of om mensen die in een levenslange coma terecht zijn gekomen.

Als levende doden vormen die laatste immers ideale orgaanbanken, zo leest Agamben in medische beleidsstukken. Het enige obstakel is dat de staat hen eerst officieel moet hebben doodverklaard. Tussen dood en leven in zou hen (of liever hun lichaam) de menselijke status, en dus de wettelijke bescherming, kunnen worden ontnomen. Opnieuw bepaalt het lichaam of het betreffende leven wel ‘levenswaardig’ is.

Die laatste term gebruikt Agamben niet bij toeval. De moderne staat, zo stelt hij met enige dramatiek vast, begint in haar juridische structuur steeds meer op het concentratiekamp te lijken. De uitzonderingstoestand, waarin van staatswege steeds weer opnieuw kan worden beslist welk lichaam (het ‘naakte leven’) het waard is rechtssubject te zijn, wordt gaandeweg de normale situatie. Terug naar het oude bestel kunnen we niet, maar garanties voor ‘biopolitieke’ excessen van de nieuwe staatsorde hebben we nog niet gevonden.

Agambens alarmerende analyse heeft wereldwijd weerklank gevonden. Des te verrassender is het zo’n vijftien jaar na de grimmigheid van Homo sacer in Agambens Naaktheden een schrijver te ontdekken die een afwisselend meditatieve en lyrische stijl weet te verbinden met ontroerende observaties van het menselijk gedrag. Geschiedenis, literatuur, theologie en filosofie vloeien erin samen tot fascinerende beschouwingen, die niet altijd even gemakkelijk te volgen zijn maar wel een verrassend licht werpen op de huidige cultuur en haar onbehagen.

Want wat weet Agamben aan de middeleeuwse discussies over het paradijselijke lichaam en zijn overbodige organische functies te ontlokken? De erkenning – al bij Thomas van Aquino te vinden – dat de ware glorie van iets niet ligt in het onmiddellijke nut ervan, maar in wat het te zien geeft wanneer het op een nieuwe manier gaat functioneren, boven datgene uit waarvoor het bedoeld is. In dat exces ligt ‘de glorie van God’, en dat betekent vandaag de dag: de heerlijkheid waarin het werkelijk menselijke zichtbaar wordt.

Opnieuw is het de danser die bij Agamben het voorbeeld mag geven: zijn lichaam hult zich in gratie wanneer de bewegingen ervan niet meer dienen tot enig onmiddellijk nut. In het daaropvolgende essay knoopt Agamben daar een beschouwing over het feest en de sabbatviering aan vast. Feestelijk is de sabbat niet omdat ze een dag is zonder werk, maar omdat de activiteit op die dag is losgemaakt van elk economisch doel. Ze bestaat alleen maar omwille van zichzelf. Het eten wordt feestelijk omdat het niet meer allereerst de honger wil bestrijden maar een gedeelde maaltijd wordt.

Zo biedt Agamben in deze losvast met elkaar verbonden essays een tegenwicht aan de letterlijk onmenselijke perspectieven van Homo sacer. In een ultrakort slothoofdstuk breekt hij een lans voor het soort mijmeringen dat niet allereerst uit is op kennis, maar zich juist laat wegzinken op plaatsen waar het zijn houvast verliest. Daar ontdekt het de genade van het inzicht: een zone van niet weten die, zo schrijft hij, misschien wel niets bijzonders bevat maar juist daarom betekenisvol kan zijn.

Om die reden kreeg de naaktheid in deze (helaas door nogal wat drukfouten geplaagde) bundel vermoedelijk haar centrale plaats. Alsof Agamben, tegenover het ‘naakte leven’ dat hij in Homo sacer genadeloos uitgeleverd zag aan een grimmige staatsmacht, haar opnieuw haar waardigheid wil teruggeven. Misschien niet in de vorm van de arrogante naaktheid van Helmut Newtons modellen, de pure schoonheid waaraan een nihilistische kilte kleeft. Maar in een breekbaarder naaktheid, die Agamben uitgebeeld vond op een oude reliekschrijn in het Spaanse León.

Op die schrijn zijn Adam en Eva afgebeeld, bij hun verjaging uit het Paradijs. De ‘schorten’ die ze van vijgebladeren hadden gemaakt hebben ze afgelegd. Nu worden ze door God zelf bekleed met dierenvellen. Als een strenge maar zorgzame vader trekt hij Eva het nieuwe kledingstuk over het hoofd.

Maar zij verzet zich, zo merkt Agamben op. Haar lichaam verwringt zich in onwil en haar rechterhand klampt zich in wanhoop vast aan Gods eigen gewaad. ‘Pas als men zich herinnert dat dit het laatste moment is waarop onze voorouders nog naakt kunnen zijn,’ schrijft hij, ‘ontvangt de geste van Eva haar ware zin,’ Dat wanhoopsgebaar ‘maakt van de vrouw de verbeten bewaker van de paradijselijke naaktheid.’