De dierenvriend

Marianne Thieme mag dan denken dat zij van dieren houdt, maar ook zij kan in dit opzicht niet tegen Dion Graus van de PVV op. Sterker nog, ik durf de stelling te verdedigen dat er geen mens op aarde zoveel van dieren houdt als Dion Graus, en – nóg sterker – dat ook vóór en na Dion Graus er nooit iemand geweest is, of zal zijn, die zoveel van dieren gehouden heeft, of zal houden, als Dion Graus.

Is dat duidelijk?

Gisteravond, tijdens het Kamerdebat over het onverdoofd ritueel slachten, nam Dion Graus de gelegenheid te baat om ons dit alles nog eens goed in te scherpen. Wat wisten wij nou helemaal af van al die martelingen die dieren moeten ondergaan? Goed, hij wilde het best even voordoen.

Hij helde achterover met zijn bovenlichaam en maakte snijdende bewegingen in zijn hals. „Dat fixeren van die dieren, dat kantelen vooral,” riep hij uit, „ik mag dat toch wel martelen noemen?” Nee, vond de Kamer, want martelen was met opzet kwellen, en dat was iets anders.

Maar Graus liet zich dat woord niet afpakken, hij proefde het steeds voor in zijn mond en spoog het dan de Kamer in. „Tot ik sterf zal ik zeggen dat dieren ritueel gemarteld worden!” En wéér ging dat bovenlichaam achterover en verdween een denkbeeldig mes diep in de royale vleeslagen onder de strak gespannen bloes van het Kamerlid, dat ook al zo vaak betoogd heeft dat het bier in Europa te duur is.

Het gebeurde bijna met enige wellust, dat virtuele steken, en ik moest op zeker moment dan ook onwillekeurig denken aan de Vieze Man van Kees van Kooten, die ook zo intens kon genieten van de viezigheid die hij op zijn levenspad tegenkwam. Al die smerige, geile mensen, wat konden ze elkaar toch weerzinwekkend verrukkelijk bij de lurven pakken.

Het klinkt oneerbiedig, en zo bedoel ik het niet, maar misschien leed het optreden van Graus aan overcompensatie, de behoefte om al die Kamerleden eens te laten zien hoezeer ze hem al die jaren miskend hadden. „Ik dacht wel eens,” zei hij met een nog net ingehouden snik, „het zal wel weer aan mij liggen. Ik voel me vooral een eenling hier, een Don Quichot.”

Aan Geert Wilders, zijn baas, had het niet gelegen. Die gaf Graus gisteren alle ruimte, zelf onthield hij zich van elk commentaar. „Ga naar Graus”, zei hij tegen het journaille. Dat hele dierendebat stond hem niet aan: dacht hij die verdomde moslims weer eens tuk te hebben, kreeg hij de joden over zich heen! Dat moest Graus verder maar opknappen.

Een begenadigd spreker zal Graus nooit worden. Zijn betoogtrant is enthousiast, maar warrig. Opeens kan hij van onderwerp veranderen of een onverwachte uitroep doen waarvan iedereen denkt: waar heeft hij het nu in vredesnaam weer over? „Toen die kippen half werden opengereten…” (hij pauzeert even om ons het beeld in te prenten) „heb ik een motie ingediend voor het aanpakken van slachthuizen, maar ze hebben me niet gesteund.”

Dion Graus, de onbegrepene. Omringd door dierenhaters, behalve in zijn fractie, want dat zijn, Geert voorop, allemaal geweldige dierenvrienden.

Het is ver na middernacht. De Kamer bespreekt in groepjes de vraag of er doorvergaderd moet worden. Graus staat opzij, alleen, je bent een eenling of niet. Hij verschijnt als laatste aan de microfoon. Ja, hij wil zich wel opofferen, al moet hij morgen weer vroeg op. „En anders krijg ik ook weer zo’n emaildiarree over me heen”, zegt hij mismoedig.

Emaildiarree?