Angst voor het lege canvas

Anton Corbijn, bekend van zijn foto’s van muzikanten, richt zijn camera nu op beeldend kunstenaars.„Hun creatieve worsteling is ook de mijne.” Vanaf morgen zijn in FOAM Corbijns portretten van de beroemdste schilders te zien.

Veel oude bekenden hangen er op Inwards and onwards, de tentoonstelling van Anton Corbijn (Strijen, 1955) in het Amsterdamse fotomuseum Foam. Bruce Springsteen, Tom Waits, Patti Smith, Iggy Pop en Johnny Cash – ze werden al vaker door de Nederlandse fotograaf geportretteerd. En ook de hoofden van Nelson Mandela en Lance Armstrong zijn direct herkenbaar.

Maar wie zijn toch die vriendelijke oudere dame en heer die wat stijfjes voor een bakstenen muur poseren? En wie zou die grijze man zijn die met zijn rug naar ons toe op een bureaustoeltje zit?

De eerste zaal van zijn tentoonstelling heeft Corbijn volledig gewijd aan portretten van beeldend kunstenaars, aan mensen dus die je vaak wel kent van naam, maar niet van gezicht. De dame en heer blijken de Duitse fotografen Hilla en Bernd Becher te zijn, bekend van hun strenge foto’s van industrieel erfgoed. De grijze man is schilder Gerhard Richter, bij wie we over zijn schouder mogen meekijken naar een van zijn nieuwe abstracte doeken.

Beeldende kunst is een nieuwe fascinatie, vertelt Corbijn aan de vooravond van de opening van Inwards and onwards. Een hobby, noemt hij de nieuwe weg die hij met zijn portretkunst is ingeslagen. „Ik verdien mijn geld met opdrachten, voornamelijk uit de muziekwereld. Maar deze serie kunstenaarsportretten is vrij werk. Ik ben zelf op deze schilders afgestapt, heb zelf mijn reizen gefinancierd. Met hobby bedoel ik ook dat ik dit project met liefde doe. Ik ben teruggegaan naar de manier waarop ik vroeger werkte, in mijn eentje, met alleen een camera en een zwart-witfilmpje op zak.”

Het is niet zo dat hij op de muziekwereld is uitgekeken, benadrukt Corbijn, maar zijn interesses zijn veranderd. „Ik houd niet goed meer bij wat de nieuwe platen zijn, en ik ga voornamelijk om met de mensen die ik al heel lang ken. Toen ik begon, als puber die altijd op een Zuid-Hollands eiland had gewoond, had de muziekwereld een enorme, mysterieuze aantrekkingskracht op mij. Daar had ik woeste fantasieën over. Maar nu ik in het wereldje kan lezen en schrijven, is daar voor mij weinig meer te ontdekken. De mystiek is na al die jaren verdwenen.”

In de ateliers van schilders als Lucien Freud, Marlene Dumas en Peter Doig vond Corbijn die nog wel. „Zo’n atelier heeft iets mythisch. Ik vind het zo moedig dat die mensen heel de dag alleen in hun studio zitten en met niks beginnen. Misschien is het omdat ik zelf zo’n angst heb voor het lege canvas dat ik een enorme bewondering heb voor mensen die daar de strijd mee durven aangaan. Zelf ben ik altijd afhankelijk geweest van de mensen op mijn foto’s. Maar dat je in je eigen atelier, vanuit het niets iets maakt, vind ik heel bijzonder.”

De creatieve worsteling waarmee schilders in hun ateliervroeg of laat te kampen hebben wil Corbijn met zijn foto’s uitdrukken. Daarom fotografeerde hij de kunstenaars ook vrijwel allemaal in de omgeving van hun werk – wat hij bij zijn portretten van muzikanten juist vermeed. Je zult op Corbijns foto’s zelden een gitaar om een nek zien hangen. „Die creatieve worsteling is natuurlijk ook de mijne. Als je geen scholing hebt, zoals ik, denk je altijd dat je niet goed genoeg bent. Ik heb de afgelopen decennia geprobeerd te bewijzen dat ik wel degelijk iets in mijn mars had. Daarom push ik mijzelf steeds om nieuwe dingen te doen, zoals grafisch ontwerpen, videoclips maken, speelfilms regisseren. Ook al weet ik dat ik daarmee op mijn bek kan gaan. Ik wil steeds weer kijken wat ik in me heb. Mijn werk is één grote ontdekkingsreis.”

Wat al die jaren hetzelfde is gebleven is zijn liefde voor het ambacht. Corbijn fotografeert nog steeds analoog, op filmrolletjes. „Ik vind er gewoon niks aan, aan digitale fotografie”, zegt hij. „Het avontuurlijke aspect is voor mij een heel groot onderdeel van het fotograferen. Dat haal je weg door direct te weten wat je gefotografeerd heb. Ik vind het fijn om een paar dagen in spanning te zitten en niet te weten of de foto gelukt is. Ik gebruik ook altijd de hele negatieven, ik zoom niet in. Alles wat imperfect is, blijf je zien. Ik ben heel chaotisch als ik aan het fotograferen ben. Soms is het licht niet goed, of een deel van het beeld onscherp. Het geeft niet, die imperfectie is onderdeel geworden van mijn manier van fotograferen. Omdat ik dat een meer oprechte manier vind om naar mensen te kijken.”

Het was niet altijd even gemakkelijk om zijn favorieten uit de beeldende kunst voor de camera te krijgen, vertelt Corbijn. Want waar hij in de muziekwereld zo gewild is dat bands gerust hun schema aanpassen als hij komt fotograferen, moest hij nu soms jaren geduld hebben. „Op Lucien Freud heb ik drie jaar gewacht. En bij Anselm Kiefer kwam ik ook moeilijk binnen. Maar nu omhelst-ie me als hij me ziet en nodigt hij me overal voor uit. Dus als de barrières eenmaal doorbroken zijn, blijkt die kunstscene toch een hele verwelkomende wereld.”

Sandra Smallenburg

Anton Corbijn: Inwards and onwards. 24 juni t/m 1 sept in Foam, Keizersgracht 609, Amsterdam. Inl: foam.org.