Zó lekker, erkenning voor je dood bent

Klassiek verhaal: als jongen afgewezen door kunstacademies en nu, op z’n 57ste, toch ontdekt. Wim Heldens, bekend in Nederland, beroemd over de grens: „Ik werk als een maniak.”

Bonkerdebonkerdebonk. Daar komt de schilder weer tevoorschijn, met in zijn armen een werk van toen hij achttien was. Hij móést het nog ergens hebben, maar waar ook al weer? Natuurlijk, in de kist Blast from the Past. Heeft hij in geen járen meer open gehad.

Hij zet het schilderij op de vloer tegen de muur en kijkt er vertederd naar. „Het drama, de hartstocht – het zit er al in hè”, zegt hij. „Maar wel heel knullig. Moet je die lichtval zien. Die hánden.” Hij begint opeens te roepen. „Eric? Eric? Come and have a look!”

Eric is de vriend van de schilder, sinds zeven jaar. Een grote, zwarte Amerikaan. Hij zat in de serre met zijn iPad te spelen, maar nu komt hij de woonkamer binnen. „Whow”, zegt hij. „Wat leuk. Wie was zij?”

Hij zakt door zijn knieën en laat zijn ogen over het schilderij dwalen. Het blonde haar van het meisje dat erop is afgebeeld. Haar blauwe capuchoncape. Het Hollandse huis op achtergrond. Hij wijst naar de handtekening rechtsonder en lacht. „Still the same signature, honey.”

De schilder is een tengere blanke Nederlander. Hij heet Wim Heldens. Zevenenvijftig jaar. Hij woont in de Pijp in Amsterdam, Tweede Jan Steenstraat. Zo’n etage op de begane grond waarin vroeger een winkel zat met daarachter, helemaal Herman Heijermans, één kamer zonder stromend water voor een gezin met ten minste tien kinderen. Nu is het een atelier met in de paar hoeken en gaten waar géén schilderijen en géén schilderezels staan een kale tafel, een kale stoel, een kale bank.

Mislukt?

Nee hoor. Kijk maar. Je ziet niet altijd wat je ziet. Deze schilder is alleen nog maar onontdekt. In Nederland dan. In Amerika vinden ze hem allang geweldig en in Engeland ook. In Engeland heeft hij net de belangrijkste portretschilderprijs gewonnen: de BP Portrait Award 2011 – 25.000 pond (28.000 euro) én de opdracht om een Britse beroemdheid naar keuze te schilderen voor de Londense National Portrait Gallery. Prestigieus.

Nu zal het hard gaan met Wim Heldens. Hij is al te gast geweest in De wereld draait door. Dat was toen hij alleen nog maar genomineerd was, begin mei. Zonder enige valse gêne zat hij zich te verheugen op wat misschien wel komen ging. „Als ik die prijs win, ben ik binnen.”

Hij won met een schilderij van Jeroen, die vier was toen Heldens hem leerde kennen via zijn toenmalige vriend. Jeroen is nu vijfentwintig en studeert filosofie. Een tengere, blonde jongen met een zijscheiding en een baard van drie dagen. Op het portret dat Wim Heldens van hem maakte, draagt hij een donkergrijze wollen V-hals over een lichtgrijze polo. Hij staat met een potlood tussen zijn vingers bij een kale deurpost en kijkt naar iets wat de toeschouwer niet kan zien – buiten het kader. Het is compromisloos realistisch, met lichtval en detaillering die in de beste Hollandse traditie passen. Vermeer, ja. Maar ook Caravaggio.

Niet moeilijk om het in aanleg allemaal te zien in het schilderij van het meisje met de blauwe capuchoncape. Het was, wat een cliché, een van de werken waarmee Wim Heldens begin jaren zeventig op de Rietveldacademie probeerde te komen. Hij werd afgewezen. Andere kunstacademies. Afgewezen. In Frankfurt werd hij wel meteen aangenomen, maar toen had hij al besloten dat hij het zelf wel zou uitzoeken. Hij was net uit de kast gekomen en van Sittard naar Amsterdam verhuisd. Dat speelde wel mee, ja.

Hij doet geen moeite om te verbergen hoe lekker hij het vindt om de erkenning vóór zijn dood mee te maken. Nánananána. Vraag hem waarom de Rietveldacademie hem niet wilde hebben, antwoordt hij: „Zal ik mijn venijn spuwen?” Waarna hij even op een ‘graag’ wacht en vervolgt: „De Nederlandse kunstwereld, dat is een kliekje gefrustreerde schaamhaarverzamelaars. Ze wilden weten welke bekende schilders er in mijn familie zaten. Wie kén je. Dat was het enige wat telde.”

Zit je daar als jongste zoon van een katholieke, autoritaire, agressieve Limburgse gymleraar/fysiotherapeut en een lieve maar doodongelukkige Limburgse huisvrouw die niets met haar intelligentie kon aanvangen omdat ze werd geleefd door haar zes kinderen. Eén van hen, het zusje vlak boven hem, had een verstandelijke handicap. Maar Wim Heldens draagt zijn ouders niets na. Hij is allang in staat om níét meer naar hen te kijken door de ogen van het gekwetste, onopgemerkte kind. Hun ingelijste foto’s staan prominent op de richel onder het raam dat zijn atelier van de serre scheidt.

Hij tekende en schilderde áltijd. Hij heeft zijn talent áltijd als een roeping beschouwd. Hij trekt er een gezicht bij dat een ferm ‘ziezo’ uitdrukt. Daarna zegt hij: „Sorry.” Sorry? „Nou ja, het klinkt zo...” Aarzel, aarzel. „Ik ben bescheidener dan ik me voordoe. Ik heb moeten leren om mijn glans op te poetsen.” Daarna weer ferm: „Er is iets in mij wat moet en zal. Ik werk als een maniak. Ik bén mijn schilderijen.”

Lang verdiende hij zijn geld met het schilderen van portretten in opdracht. Hij dacht dat dit zijn leven was. Maar hij kreeg het er moeilijk mee, omdat hij zo „meedogenloos” is. Hij gaat door „tot waar het pijn begint te doen”. En dat pakte niet altijd even leuk uit met de mensen die hij portretteerde. „Die vonden dan dat ik in hen alleen zag wat ik wilde zien.” Was het dan niet zo? „Ja, dat was wel zo en dat vond ik dan weer vervelend, want ik begreep best dat ze het niet konden waarderen. Zou ik zelf ook hebben. Het stond me in de weg.”

Goed. Daar is hij nu vanaf.

Maar hoe zit het dan met Eric en met Jeroen en al die anderen die niet alleen zijn dierbaren zijn, maar ook zijn modellen? Kijk in zijn atelier naar rechts: Eric. Of Jeroen. Kijk naar links: Jeroen. Of Eric. Met nichtjes en neefjes, vrienden, vriendinnen.

„Eric”, zegt Wim Heldens. Hij kijkt verliefd. „Eric schilder ik vanaf de dag dat hij hier binnenkwam.” Internetdate. „Het was iets... iets...” Hij komt niet uit zijn woorden. Was het eerst schilderen en toen seks? „Neehee”, zegt hij. Enorme lach. „Dat niet. Eerst seks.” Zijn dierbaren, zegt hij, schildert hij ook meedogenloos. Maar liefdevol tegelijkertijd en misschien houdt hij wel zoveel van ze omdát hij hen zo kan schilderen.

Nu Jeroen. In De wereld draait door noemde Wim Heldens hem zijn aangenomen zoon. Nu maakt hij er liever van dat hij (Wim Heldens dus) een vaderfiguur voor hem is. „Jeroen had een vaderfiguur nodig en ik ben dat vanaf zijn vierde voor hem geweest.” Hij schilderde Jeroen toen ook al. Hebben zijn gevoelens voor hem ook te maken met seks?

Hij houdt zich goed. Hij wordt niet boos. Hij zegt: „Nee.” En dan: „Zou je dat ook aan een moeder met een aangenomen zoon vragen?” En dan: „Zal ik het nog een keer zeggen? Nee. Jeroen voelt voor mij als mijn kind. En de meeste mannen willen geen seks met hun kind.”

Jannetje Koelewijn