Weg met de tijdrit

Ik zou willen voorstellen het gebruik van tijdritfietsen te verbieden. Het oog wil ook wat, maar bediend wordt het allerminst. Zie die mannetjes onhandig in hun elleboogsteunen hangen, pijnlijk gespietst op de zadelpunt. Alsof ze na een revalidatie opnieuw leren fietsen. De malle helm mag ook meteen in de ban. Aerodynamica of niet, zo’n lange snavel in de nek roept bij mij de associatie op van een omgewaaide totempaal. Maar ik wend mijn blik echt af wanneer een door zijn straaljagerpilotenschermpje glurende renner vrijelijk zijn snot en schuimvlokken laat wapperen – een onverdraaglijk anachronisme. Bij snot en slijm hoort een op het hoofd omgedraaide koerspet van katoen.

Het was dus niet zonder afgrijzen dat ik zondagmiddag de ontknoping in de Ronde van Zwitserland gadesloeg. Damiano Cunego verspeelde zijn gele leiderstrui – een strak lycra pakje in dit geval – aan tijdritspecialist Levi Leipheimer met een debetscore van 4 seconden. Spannend was het, maar het zag er niet uit: twee gnomen met het postuur van een gemberwortel op een supersonische machine. Toen Cunego in beeld kwam merkte zelfs mijn eega op: „Wat zit die raar op zijn fiets.” Ik hoopte vurig dat Cunego het niet in zijn hoofd haalde de beelden later terug te kijken. Hoewel hij behoorlijk hard ging, deed Leipheimers windtunnelexpressie me sterk denken aan een eekhoorn, gezellig knabbelend op een hazelnoot.

En dan die twee verwrongen slungels van Schleck. Je zou ze zo naar een orthopedisch chirurg sturen. Ik heb sterk het vermoeden dat hun escapades in de windtunnel een averechts effect hebben gesorteerd. Alleen al het kijken naar de broertjes deed mijn onderrug op slot slaan. Als er een Arbodienst voor wielrenners bestond, zou de tijdritfiets geen enkele gezondheidstoets doorstaan.

Zijn er uitzonderingen? Fabian Cancellara is geboren met de tijdrithelm op zijn kop en een ossenkopstuur in de handen. Of anders is hij wel door Leonardo da Vinci uitgetekend. Contador ligt als velours over zijn vehikel gedrapeerd. Zondag zag ik tot mijn verrassing Stefan Kruijswijk in een oogstrelende glijvlucht zijn podiumplaats veiligstellen. Het jongetje uit Nuenen dat als vijftienjarige begon bij de Geldropse wielerclub Trap met Lust, zit in een heuse groeispurt. En niet alleen op het onhandelbare, uit carbon opgetrokken martelwerktuig voor de tijdrit.

De benen deden ontzettend pijn, meldde hij halverwege de Ronde van Zwitserland. Eigenlijk voelde hij zich uitgeblust met die zware Giro in het lijf. Om prompt de koninginnerit op zijn naam te schrijven. Kruijswijk betrad het vreemde domein van de paradoxen. Het lichaam raakte aan zichzelf voorbij, het vond balans in het ongerijmde. Voor slechts weinigen is het weggelegd de rustige extase van die concrete schimmenwereld te leren kennen.