Voor een habbekrats naar Londen

Volleybalster Manon Flier is met het nationale team de voorbereiding op een lang zomerseizoen begonnen.

Na twee mislukte pogingen wil ze nu naar de Spelen.

Henk Stouwdam

Avital is alles. Voor Manon Flier bestaat er geen betere volleybaltrainer dan Selinger. Ze zegt voor hem „door het vuur te gaan”. Een mooier compliment kan een coach van zijn aanvoerster niet krijgen. Kom bij Flier niet aan met de bewering dat het Nederlands vrouwenteam in zeven jaar Selinger beneden verwachting heeft gepresteerd. „Ik ben het daar pertinent mee oneens. Je moet verder kijken dan de resultaten.”

Flier ziet het nationale team als een warme familie van wie de leden afzonderlijk door Avital Selinger zijn gevormd tot speelsters van internationaal niveau. Een familie die zo nu en dan succes boekt, zoals in 2007 met de overwinning in de Grand Prix en in 2009 met de zilveren medaille bij het Europees kampioenschap. Voor Flier het bewijs van Selingers vakmanschap. Kan ook niet anders, vindt de 27-jarige, 1,92 meter lange blonde diagonaalspeelster, „omdat ik niemand ken die meer van volleybal weet dan Avital”.

Een uitzondering op haar lofzang maakt Flier voor 2010, het jaar waarin Nederland teleurstellend elfde werd bij het wereldkampioenschap in Japan. Daardoor miste de ploeg kwalificatie voor de Grand Prix en dientengevolge slonken de kansen op plaatsing voor de Olympische Spelen van volgend jaar in Londen aanzienlijk. „Maar wat wil je als spelverdeelster Kim Staelens wegens zwangerschap wegvalt”, vergoelijkt Flier die sportieve tegenvaller. „Een sleutelspeelster. Hoe kun je in godsnaam van haar jonge vervangster een gelijkwaardig niveau verlangen? Individueel heeft iedereen best goed gespeeld, alleen niet altijd op hetzelfde moment.”

Desondanks wil Flier niet van een verloren sportjaar spreken. „Want we hebben vorige zomer heel hard gewerkt. Echt, het was bloed, zweet en tranen. Ik ben ervan overtuigd dat die inspanningen ergens goed voor zijn geweest. Ook van tegenvallers leer je. En wat te denken van die jonge meiden. Die hebben veel ervaring opgedaan. We zijn mentaal gehard en sterker dan ooit, daar ben ik van overtuigd. Wat niet wegneemt dat ons gemiddelde niveau van vorig jaar niet goed genoeg zal zijn om de Olympische Spelen in Londen te halen. We zullen echt een paar stappen moeten maken. Maar ik zou het raar vinden als dat niet gebeurt”, zegt Flier.

Mooie, zalvende woorden, maar ook zij wil er na twee gemiste Spelen toch eindelijk bij zijn in Londen? Absoluut, zegt ze. „Maar ik staar me er niet blind op. Het is pas over een jaar. En zover kijk ik nooit vooruit. Ik werk van dag tot dag. En er zijn tussendoelen, zoals het Europees kampioenschap eind september in Italië. Daar moeten we er staan om kwalificatie voor de Olympische Spelen in eigen hand te houden. Hoe teleurgesteld ik zal zijn als het opnieuw mislukt? Wat een vraag. Daar kan ik onmogelijk antwoord op geven. Zo denk ik niet. Ik ben een positief mens. Je moet bij mij niet aankomen met zaken die eventueel fout kunnen gaan.”

Flier was blij dat ze vorige week in Almere terugkeerde bij het Nederlandse volleybalteam. Alsof ze in een warm bad stapte. Terug in de groep waar de trainingen volgens een vertrouwd, doordacht ritme verlopen, waar achter elke oefening een logische gedachte zit. Dat miste Flier telkens bij de clubs waar ze gedurende de wintermaanden heeft gespeeld. Zelfs afgelopen seizoen bij Scavolini Pesaro, waar de geroemde voormalige spelverdeler van de Italiaanse ploeg, Paolo Tofoli, haar clubtrainer was.

Maar Flier velt een vernietigend oordeel over zijn debuutjaar als coach. „Tofoli had als speler een grote naam, maar dat wil niet zeggen dat hij een grote coach is. Misschien in de toekomst, maar nu zeker niet. Bovendien had hij zich nauwelijks in het vrouwenvolleybal verdiept. In vergelijking met Tofoli doceert Avital hogeschoolvolleybal. En als ik eens opmerkingen maakte, reageerde hij sceptisch. Tofoli stond er ook niet voor open, omdat hij veel van de Nederlandse aanpak maar niets vindt.”

De tegenvallende Tofoli in combinatie met de verlaagde contractaanbieding deed Flier besluiten in het pre-olympische clubseizoen voor de Japanse topclub Toray Arrows te kiezen. „Een lekker kort seizoen van vier maanden dat mooi aansluit op het programma van het Nederlands team. En ik ga er ook nog eens het dubbele verdienen. Ik kijk er naar uit. Ik voel me op de een of andere manier thuis in Japan. Alles is er altijd goed georganiseerd en de mensen zijn er vriendelijk.”

Maar eerst een zomer met het Nederlands team, met als doel via een finaleplaats bij het Europees kampioenschap in een gunstige positie in het gecompliceerde olympische kwalificatietraject te komen. En dat voor een habbekrats, want de internationals komen in aanmerking voor het stipendium van rond de duizend euro per maand en een geringe onkostenvergoeding van de volleybalbond. Maar Flier speelt „echt alleen voor de eer” in de nationale ploeg. „Ik hoop altijd maar dat ik in de zomermaanden zo weinig mogelijk kosten maak. Ik moet mijn geld bij de clubs verdienen.”

Maar Manon Flier klaagt niet. Ze heeft een prachtig leven, vindt ze. Het is intens en met veel volleybal, maar ook met genoeg afwisseling. „Als ik klaar ben met de trainingen, kan ik naar huis. Ik heb volop tijd voor mezelf. Dit leven kan ik wel tot mijn 35ste volhouden. Ik heb de ambitie om zo lang mogelijk te blijven spelen. Tenzij het lichaam gaat protesteren. Of als ik er echt genoeg van heb.”