Pensioen hoeft geen oorlog tussen generaties te worden

Op het pensioen is te veel beknibbeld, maar dat kan worden gerepareerd. Laat de fondsen concurreren, betoogt

Bernard M.S. van Praag.

We kunnen van Sweder van Wijnbergen denken wat we willen – hij heeft wel het talent om uitdagende, maar ook irritante stukken te schrijven. In zijn laatste stuk (Opiniepagina, 17 juni) suggereert hij zelfs niet meer of minder dan een samenzwering van vijftigplussers, om jongeren op listige wijze te ontdoen van hun pensioengeld. Dit is een vorm van ophitsing. Generaties worden tegen elkaar opgezet.

Wat mij nog meer steekt, is dat het stuk de ware oorzaak van de problemen niet noemt. Het duidt op geen enkele manier aan hoe we na verwerping van het jongste principeakkoord verder moeten.

Het bestaande systeem van de aanvullende pensioenen berust op het spaarsysteem. Elk jaarcohort spaart zijn eigen pensioen bij elkaar. Het pensioen bestaat dus uit spaargelden en de in de jaren verkregen rendementen op dat spaargeld. Begin jaren tachtig was die pensioenpremie bij ambtenarenfonds ABP 24 procent. Daarna zijn die premies gedaald tot circa 8 procent. Bij sommige pensioenfondsen was er een aantal jaren een premie van 0 procent en was zelfs sprake van terugsluizen van gelden naar moederbedrijven.

Pas rond 2004 werden de noodklokken geluid. De premies zijn verhoogd. Het resultaat is dat de pensioenfondsen te lage reserves hebben opgebouwd. De gemiddelde dekkingsgraad is van circa 180 procent eind jaren tachtig afgenomen tot circa 110 procent nu. Dat is veel te weinig om een nominaal pensioen, laat staan een geïndexeerd pensioen, te garanderen. Anders gezegd, de reserves zijn niet toereikend voor een pensioen van circa 70 procent middelloon – we moeten dan eerder denken aan 50 procent. Als we dat niet willen erkennen en doorgaan met het uitkeren van 70 procent aan de gepensioneerden van nu, zal dat vaak slechts kunnen door een greep toe doen in de spaarpotjes van de jongeren.

De oplossingsrichtingen binnen het bestaande systeem lijken dus duidelijk. De pensioenaanspraken van alle deelnemers, ook van de gepensioneerden, moeten worden verlaagd tot het punt waar de reserves geloofwaardig zijn. Ofwel, de reserves dienen te worden aangevuld, opdat ze weer overeenstemmen met de ambitie van 70 procent middelloon, geïndexeerd.

Dat aanvullen is natuurlijk een pijnlijke operatie. Het betekent het zoveel mogelijk opeisen van achterstallige bijdragen aan pensioenfondsen uit de jaren negentig. In de tweede plaats moeten de premies worden verhoogd naar minstens 25 procent van de pensioengrondslag. De nu genoemde niveaus van een naar boven gemaximeerde premie van 20 procent zijn volstrekt onvoldoende om een fatsoenlijk pensioensysteem in stand te houden. We zullen door de zure appel heen moeten bijten.

Terzijde zij opgemerkt dat De Nederlandsche Bank voor haar eigen personeel een pensioenpremie bezigt van meer dan 30 procent. Soortgelijke percentages zijn te vinden bij Shell en andere bedrijven. Als we na veertig jaar werken nog circa twintig jaar willen genieten van ons pensioen, zijn dergelijke percentages realistisch. In de praktijk zal het een mengsel zijn van verlaging van de 70 procent en verhoging van de premies.

Overigens is het dreigement van werkgevers, dat wij ons dan uit de internationale markt prijzen, maar zeer ten dele geloofwaardig. Frankrijk, België, Duitsland, Spanje en China zitten immers met dezelfde problemen. Ook daar zullen de pensioenkosten moeten stijgen.

Ten slotte, en daarin ben ik het volledig met Van Wijnbergen eens – het door Wientjes en Jongerius bepleite systeem van defined contribution komt neer op een casinopensioen, op een veel te lage premiebasis. Als we van 70 procent uitgaan, wringt het nog steeds tussen de generaties. Het principeakkoord betekent het opblazen van het Nederlandse arbeidsklimaat.

Bovendien bestaat in zo’n systeem wel grond voor een verplichte pensioenpremiebetaling, maar niet voor deelname aan een bepaald pensioenfonds. Die pensioenfondsen hebben in de opzet van Wientjes en Jongerius immers geen prikkel om een zo goed mogelijk pensioen af te leveren. Tussen de pensioenfondsen bestaat dus geen concurrentie. We moeten kunnen kiezen tussen pensioenuitvoerders. Dan lijkt het systeem van de WA-verzekering voor automobilisten in elk geval productiever. Je bent verplicht om je te verzekeren, maar je mag stemmen met de voeten bij welke verzekeringsmaatschappij je je WA-risico wil verzekeren.

Bernard M.S. van Praag is emeritus universiteitshoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam