Laten we blij zijn dat er zoveel mensen in deeltijd werken

De recessie van 2009 was diep, maar het herstel verliep snel. Dat duidt erop dat de Nederlandse economie „zeer veerkrachtig en concurrerend” is, aldus de scheidend hoofdeconoom van het CBS, Michiel Vergeer.

Cijfers zijn misleidend. Statistieken ook. ‘Lies, damned lies and statistics’, deze uitspraak dichtte de Amerikaanse schrijver Mark Twain toe aan de negentiende eeuwse Britse premier Benjamin Disraeli. Maar zelfs dat is nooit bewezen.

Pas dus op met cijfers, niet alleen als ze uit Athene komen, ook als Brussel ze publiceert of politici ermee schermen. De gewone burger wordt er gemakkelijk mee misleid.

Michiel Vergeer, hoofdeconoom van Nederlands belangrijkste rekenmeester, het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), weet dat als geen ander. Hij kan niet betrapt worden op gespierde taal als ‘uittocht van babyboomers’, dreigende ‘krimp van de bevolking’, of ‘Nederland verarmt’. Nee, Vergeer is genuanceerd. Met die uittocht van babyboomers valt het wel mee. De bevolking van Nederland groeit de komende 25 jaar. En armoede? Nederland is de laatste tien jaar rijker geworden, alle inkomensgroepen.

Toen ‘powervrouw’ en econoom Heleen Mees hem vanuit New York eens vroeg naar cijfers over het stijgend aantal vrouwen dat in deeltijd werkt, verhulde ze nauwelijks dat ze deze trend maar niets vond.

Dat is normatief, zegt de CBS-econoom dan. De feitelijke situatie is volgens hem mogelijk een afspiegeling van wat mensen willen. Misschien is het 1,5-model, een voltijdwerker en een deeltijder in één huishouden, wel de gewenste situatie waar Nederlanders tevreden mee zijn. „Wees blij dat er zoveel mensen in deeltijd werken, anders waren ze op de arbeidsmarkt nooit allemaal aan boord gekomen”, zegt hij.

Vergeer kijkt achteraf naar de cijfers, zodat hij ziet wat er werkelijk is gebeurd. Dan pas analyseert en interpreteert hij. Zodra het CBS een trend ziet, is het ook een trend.

„Jullie zitten op een gouden schat aan gegevens. Dat moet je uitventen”, zei Vergeer tien jaar geleden toen hij nog bij het Centraal Planbureau (CPB) werkte en een goede klant was van het CBS. Daarop trok het CBS hem aan. Sindsdien voorziet hij de nieuwste cijfers onvermoeibaar van commentaar, op radio en televisie, in dagbladen en op internetsites.

Morgen heeft Vergeer zijn laatste optreden voor het CBS in Leidschenveen als hij de nieuwste cijfers toelicht over de groei van de economie en de ontwikkeling van de werkloosheid in het eerste kwartaal van 2011, en ook de voorlopige werkloosheidscijfers over mei presenteert. Daarna gaat hij met pensioen. Met 65 jaar.

Is Nederland er beter aan toe dan tien jaar geleden?

„We zijn een rijk land, na Luxemburg het welvarendste land van Europa als je kijkt naar het gemiddeld inkomen per hoofd van de bevolking. Maar het was een spannend decennium. De uitslagen van de economische groei waren veel groter dan voorspeld, zowel naar boven, als naar beneden. Met 2009 als dieptepunt. De economie kromp met een record van 4 procent. De kredietcrisis, die een jaar eerder uitbrak, gaf een geweldige schok. Alle sectoren kregen enorme klappen, in tegenstelling tot de internetcrisis in 2001. De industriële productie, de export, het consumentenvertrouwen gingen in 2009 volledig onderuit.

„Tegelijkertijd is het herstel na de economische recessie ook heel snel verlopen. De economie groeide het afgelopen decennium ondanks twee crises gemiddeld met 1,5 procent per jaar. Dat vind ik heel behoorlijk. Het geeft aan dat Nederland zeer veerkrachtig en concurrerend is.”

Welke conclusies trekt u uit de kredietcrisis?

„Dat het verband tussen de financiële economie en de reële economie buitengewoon moeilijk te voorspellen is. Ik hoor niet tot die goeroes die naderhand zeiden: ‘Ik heb het altijd al gezegd.’ Ik analyseer altijd achteraf hoe iets zover kon komen. Een aantal risico’s was bekend, zoals de leningen op de Amerikaanse huizenmarkt, maar voorkomen is niet gelukt.

„Tegelijkertijd stel ik vast dat de wereld een heleboel gezonde economische spelers heeft. De economische groei van China heeft ons uit de recessie getrokken. Ook is het beleid van de Verenigde Staten en Europa om de economie met extra investeringen te stimuleren adequaat geweest.

„Nederland groeide in het eerste kwartaal van dit jaar ten opzichte van begin 2010 volgens de voorlopige cijfers zelfs met 3,2 procent. Dat is heel mooi. De werkloosheid hoorde ook tijdens de recessie tot de laagste in Europa. Daar is wel iets voor gebeurd.”

Wat bijvoorbeeld?

„De industrie die we hebben is wel degelijk sterk concurrerend en innovatief. We hebben ook de loonkosten in bedwang weten te houden. Door deze concurrentiekracht hebben Nederlandse bedrijven kunnen aanhaken aan het herstel van de wereldeconomie.

„Vergelijk het even met Griekenland. Dat had ook van de wereldhandel moeten profiteren, maar daar is niets van terechtgekomen. Ze hebben onvoldoende oog gehad voor de loonkosten. Je moet concurrerend zijn, dat is fundamenteel.

„Dankzij onze concurrentiekracht bleef de werkloosheid laag, ook tijdens de recessie. Nu trekt de arbeidsmarkt weer aan, al zijn het vooral flexbanen.”

Wordt flexwerk de trend?

„Er is de afgelopen tien jaar veel meer flexibel werk gekomen. Dat is zeker een trend. Wij tellen zo’n twee miljoen flexibele banen: uitzendwerkers, zelfstandigen zonder personeel [zzp’ers, red.], er zijn honderdduizenden baantjes en niet te vergeten Oost-Europese werknemers.

„Vorig jaar zagen we dat er tijdens het herstel vooral flexibele banen zijn bijgekomen, geen vaste. Of dat doorzet moeten we even afwachten. Bij de vorige periode van herstel in 2004 was de groei van het aantal flexbanen heel groot. Het aantal vaste banen liep zelfs terug. Maar in 2006 en 2007, toen de economie 3 tot 4 procent groeide, is een groot aantal flexbanen wel degelijk omgezet in vaste banen.

„Hoe het deze keer zal gaan is onzeker. Daar zit voor mij de spanning. Als we een paar goede jaren krijgen, worden de flexibele banen dan alsnog omgezet in vaste contracten? Dat is voor mij de vraag.’’

Drukt de toename van flex- en deeltijdwerk de lonen?

„Toen in Nederland het zogenaamde kostwinnersbegrip nog centraal stond, was het huishouden met één verdiener relatief bevoordeeld. De individualisering van het belastingstelsel heeft tot een substantiële groei van deeltijdwerk geleid, vooral bij vrouwen. Daardoor zijn er veel meer tweeverdieners gekomen.

„Tel je de twee inkomens bij elkaar op, dan zijn ze relatief rijk. Wordt er twee keer 40.000 euro in een huishouden verdiend, dan houden deze mensen netto meer over, omdat hun inkomens fiscaal gunstiger worden behandeld dan dat van de eenverdiener met 80.000 euro.

„Er heeft een welvaartverschuiving plaatsgevonden ten gunste van tweeverdieners. Tegelijkertijd gaat er een loondrukkend effect uit van deeltijdwerk als men maar een paar uur werkt. Maar met het 1,5-banenmodel zijn de meesten beter af.”

Wacht werknemers een gouden eeuw gezien de voorspelde tekorten op de arbeidsmarkt?

„Ik voorspel geen goud. Er moet gewoon gewerkt worden. Ik ben buitengewoon voorzichtig over de krapte op de arbeidsmarkt. Uit onze bevolkingsprognose blijkt dat de bevolking de komende 25 jaar blijft groeien. De potentiële beroepsbevolking tussen 20 en 65 jaar neemt de komende tien jaar slechts met 100.000 af, van 10,1 miljoen naar 10 miljoen. Dat is een heel kleine daling en als we een jaar langer doorwerken is er geen daling meer.

„Ook met die uittocht van babyboomers valt het mee. In 1946 is inderdaad een record aantal baby’s geboren, 284.000. Van hen zijn er in Nederland nog 235.000 over. Zij worden dit jaar 65, maar slechts een beperkt deel werkt nog. Een flink deel is al weg, met vervroegd pensioen.”

Welke gevolgen heeft de vergrijzing voor de arbeidsmarkt?

„Langer doorwerken moet normaal worden. Dat vergt een grote mentale omslag. Iedereen zal zich moeten realiseren dat je met 45 jaar pas halverwege je carrière bent. Het aantal 65-plussers stijgt fors, van 2,6 miljoen nu naar 4,6 miljoen in 2040. Dat drijft de kosten van pensioenen en zorg enorm op. Dat moet wel betaald worden, en wel door meer mensen die langer belasting betalen.

„Permanente scholing van werknemers vanaf 45 jaar is heel belangrijk. Dat moeten werkgevers en werknemers beseffen. Werknemers zullen zich niet alleen steeds moeten scholen, ze zullen ook vaker moeten uitkijken naar een andere baan. Dat is geen gratuite opmerking. Vooral oudere werknemers die hun baan kwijtraken komen buitengewoon moeilijk weer aan de slag. Dat is de schaduwzijde van de ‘flexibele schil’ die bedrijven erop nahouden.”