Ik weet nu dat ergens nog iets van haar leeft

Twan van Ooijen en zijn kinderen stelden alle organen van hun overleden vrouw en moeder beschikbaar. Haar hart tikt nu bij een anonieme volwassen man, van wie ze een dankbrief ontvingen.

Stel Twan van Ooijen (52) één vraag en hij vertelt het hele verhaal. Hoe zijn gezin een skivakantie plande vorig jaar. Het mocht luxe, ze hadden hard gewerkt. Over het meningsverschil met zijn vrouw voor vertrek. Ze wilde dat hij meereed met het gezin, en niet nog twee dagen langer in de zaak doorwerkte. Over de villa op de berg. Met op iedere kamer een open haard. Over hoe je kon uitkijken over het hele dorp.

Maar beneden op de piste gaat het mis. Terwijl Twan vast vooruit is gesneld om de open haard aan te maken, wordt zijn vrouw plotseling onwel.

„Luister Twan” – zijn schoonzus aan de telefoon – „ je moet nú komen, het is ernstig.”

Er landt een traumahelikopter op de piste, Twan kan nog net de brancard met daarop zijn vrouw naar binnen helpen. De deur zoeft dicht. Iemand drukt hem omlaag voor de draaiende wieken.

„Net een film.”

Twee weken lang zit Twan van Ooijen aan het bed van zijn vrouw, in Innsbruck. Een arts legt hem uit dat de kans dat ze overlijdt erg groot is. Maar óók dat dat moment nog wel eens weken op zich kan laten wachten.

Zijn besluit staat vast: als zijn vrouw sterft, dan sterft ze in Nederland. Het wordt het UMC in Utrecht. Zijn vrouw gaat met een ambulance. Hij reist haar achterna per vliegtuig. Diep in de nacht landt Twan van Ooijen op Rotterdam Airport. Een taxi levert hem af bij het ziekenhuis. Daar zal hij moeten beslissen over donatie, over háár organen, en over het leven van anderen.

Hoe dat gaat?

„Eerst moest ik mijn vrouw vinden. Wáár was ze? Kom je daar in Utrecht, een ziekenhuis dat zó kolossaal groot is voor een boerenlummel als ik. Ik geloof dat het gebouw C was. Ja, nummer C. Gang af, doorlopen, trap op. Onder de kelder bleek nog een verdieping. Ik dacht dat we in een magazijn terechtkwamen, er stonden vuilniszakken. Nog eens afslaan. Daar lag ze. Eindelijk. En we werden heel goed opgevangen.”

Toen heeft u tot donatie besloten?

„We werden voorgesteld aan een team van artsen. Een vrouwelijke arts – ik weet haar naam niet meer, het gaat zo snel. Zij begon erover, hoe we tegenover donatie stonden. Ik vroeg: wat houdt het precies in? Alle organen die we kunnen gebruiken, zei ze. Lever, nieren, ogen, hart. Poeh. Daar moest ik het eerst met mijn kinderen over hebben. De arts legde ook uit dat ze met de behandeling zouden stoppen. Dat het allemaal niet lang meer ging duren.”

Wat zeiden uw kinderen?

„‘Je mag alles hebben, behalve het hart.’ Dat heb ik in het ziekenhuis verteld. De arts vroeg toen of we er nog eens goed over wilden nadenken. Er staan zoveel mensen op de wachtlijst voor een hart.”

Dan moet je plots ook over het leven van een ander beslissen.

„Zo heb ik dat niet gevoeld. Ik heb nog eens met mijn dochter gepraat. Gezegd dat ik zeker wist dat mijn vrouw het goed had gevonden. We hebben toen besloten alles weg te geven. Doe maar, zei ik. Neem maar wat u denkt dat goed is. Die dokter was een heel fijne vent. Weet je dat er in Nederland maar drie gevallen per jaar zijn waarbij mensen alles afstaan?”

Twan van Ooijen heeft alle familie die avond gevraagd naar huis te gaan. De laatste nacht wilde hij alleen zijn met zijn vrouw. Hij kreeg een bed, maar is naast haar blijven zitten. Vroeg in de ochtend werd de apparatuur stilgezet. Zeven mensen hebben een orgaan of weefsel van zijn vrouw gekregen. Haar longen, nieren en alvleesklier werden getransplanteerd. Een deel van haar lever ging naar een baby. Haar hart is getransplanteerd naar een volwassen man.

Bent u blij met de beslissing?

„Een half jaar geleden belde de transplantatiecoördinator: of we een brief van de ontvanger van het hart wilden hebben. Ja, waarom niet? Het was emotioneel. Ik moet er nog best wel eens om huilen. En heel stiekem ben ik blij. Ik weet nu zeker dat er nog iets van haar leeft. Ergens.”

Zou u die mensen willen ontmoeten?

„Ja. Ik heb me avondenlang met de vraag beziggehouden: hoe zou het gaan met die mensen? Die man met haar hart? Ik heb wel eens gedacht… kon ik nog maar één keer, heeeel eventjes, zo met mijn oor ertegenaan, haar hart horen kloppen.”