Hoe het hbo de vakdocent verjoeg

Waar is het fout gegaan in het hoger beroepsonderwijs? De kwaliteit staat ter discussie, net als de waarde van diploma’s. En bestuurders van megascholen belonen zichzelf rijkelijk.

Vandaag deel 2 van een driedelige serie: competentiegericht onderwijs bleek doorgeschoten idealisme.

Een „gedrocht”. Presley Bergen, bestuurslid van de vereniging Beter Onderwijs Nederland (BON), wil er geen misverstand over laten bestaan: „De invoering van competentiegericht onderwijs is het ergste wat het hbo de afgelopen twintig jaar is overkomen.” Want, zegt hij, wat in Nederland onder de noemer ‘competentiegericht onderwijs’ over studenten is uitgestort, is „een misgeboorte, een quasimodo, ontstaan uit de vermenging van een onbewezen ideologie, de vraag uit het bedrijfsleven om meer vaardigheden en de behoefte van bestuurders om geld te besparen”.

Over het competentiegericht onderwijs wordt nu al jaren ruzie gemaakt tussen voor- en tegenstanders. Dat debat is voor buitenstaanders moeilijk te volgen, al was het maar omdat onduidelijk is wat nu precies achter de term schuilgaat. Daarom eerst een poging tot een definitie: competentiegericht onderwijs, zoals dat in Nederland is ingevoerd, is een vorm van onderwijs waarbij veel belang wordt gehecht aan zaken als spreekvaardigheid, in groepjes kunnen werken en zelfreflectie (de competenties) en waarbij studenten in hoge mate vrij zijn hun eigen studiepad en studietempo te bepalen.

Deze laatste, didactische component van de filosofie doet denken aan het ‘nieuwe leren’, zoals dat begin deze eeuw in zwang raakte in het basis- en voortgezet onderwijs. De Iederwijs-scholen, de meest verregaande variant, zijn inmiddels bijna allemaal verdwenen, maar competentiegericht onderwijs is intussen ingevoerd in praktisch het gehele hoger én middelbaar beroepsonderwijs.

Toen Marcel Wintels drie jaar geleden voorzitter van Fontys-hogescholen werd, was iedereen in de organisatie druk bezig met het invoeren van een zeer verregaande vorm van competentiegericht onderwijs, vertelt hij. „Mensen hadden de mond vol van zaken als ‘zelfsturing’, ‘keuzevrijheid’ en de ‘intrinsieke motivatie’ van studenten, die tot goede resultaten zouden leiden. We kunnen nu concluderen dat het hbo daarin te ver is gegaan, vanuit een vorm van idealisme: het idee dat een student zelf het beste weet hoe hij moet leren en daartoe goed gemotiveerd is.”

Wellicht is competentiegericht onderwijs geboren vanuit een ideaal, maar al snel bespeurden de bestuurders van de hogescholen een bijkomend voordeel, zegt Presley Bergen van BON. „Ze kwamen erachter dat je een stuk minder duurbetaalde vakleerkrachten nodig had. Kennis van de Nederlandse taal kon ook wel worden overgebracht door Nederlandstalige begeleiders van projecten waar studenten meer met een zoektocht naar zichzelf bezig waren dan met vakinhoud. En die begeleiders zitten in een lagere salarisschaal. Dat was mooi meegenomen. Zo vonden ideologie en pragmatisme elkaar.”

Hoe pakte dat in de praktijk uit voor studenten? Maarten Venhovens studeert maatschappelijk werk en dienstverlening aan de Hogeschool Arnhem Nijmegen (HAN). Hij is tevreden over het onderwijs zoals hij dat krijgt. Dat draait vooral om competenties die hem in zijn latere werkzaamheden van pas moeten komen, zaken als het houden van intakegesprekken en het maken van een plan van aanpak. „Dat betekent dat je tijdens lessen niet altijd alle informatie krijgt, maar die zoek je dan zelf op.” Zijn vorderingen houdt hij bij in een POP, een persoonlijk ontwikkelingsplan, vertelt hij. „Daar staat in wat goed gaat en wat ik beter moet doen. Ik schrijf dat allemaal netjes op, maar er zijn ook studenten die dat niet doen, die het aan de volwassenheid ontbreekt om hun studie goed te kunnen inrichten. Voor hen is competentiegericht onderwijs minder geschikt, denk ik.”

Fontys-voorzitter Wintels is inmiddels tot de conclusie gekomen dat competentiegericht onderwijs zoals dat indertijd is ingevoerd in Nederland eigenlijk voor bijna niemand geschikt is. „Voor het merendeel van de studenten werkt al die vrijheid niet; alleen de meest gemotiveerde 5 procent heeft baat bij deze manier van lesgeven en excelleert erdoor.”

Tot dat inzicht was neuropsycholoog Jelle Jolles al jaren geleden gekomen. Jolles, hoogleraar hersenen, gedrag en educatie aan de VU, legt uit waarom het competentiegericht onderwijs niet kán werken. „De vaardigheid in het plannen is bij de meeste studenten nog onvoldoende ontwikkeld. Zij hebben nog totaal geen overzicht over de leerstof en zien niet wat het belang ervan is. Ook naar jezelf kijken en evalueren is voor veel studenten te hoog gegrepen. De prefrontale schors van veel jongeren, waar dit soort hersenactiviteit plaatsvindt, is tussen 17 en 22 jaar nog aan een laatste rijpingsfase bezig. De omgeving, dus de docent, heeft een zeer belangrijke taak in het begeleiden daarvan. Docenten moeten steun, sturing en inspiratie geven om deze rijping mogelijk te maken. En dat is precies wat in het competentiegerichte onderwijs veel te weinig plek heeft gekregen.”

Heel veel jongerejaars studenten leren nog niet voor hun toekomst, want daar hebben ze nog geen zicht op, zegt Jolles. „Ze willen structuur en duidelijkheid, ze moeten nog zeker een paar jaar bij de hand genomen worden.”

Daar zijn de bestuurders op het hbo inmiddels ook van overtuigd, mede door kritiek van ontevreden studenten die zich door het vrijblijvende onderwijs niet uitgedaagd voelden. En dus is er reparatiewerk te doen. Volgens Fontys-voorzitter Wintels is het hbo daar druk mee bezig. Hij legt uit hoe een goede opleiding er wat hem betreft uitziet. „Als ik geopereerd moet worden, wil ik dat de chirurg weet hoe het menselijk lichaam in elkaar zit. Verder moet hij een scalpel kunnen hanteren en ik zou het ook prettig vinden als hij niet te laat verschijnt voor mijn operatie. Die drie componenten: kennis, vaardigheden en houding – of competenties, zoals dat laatste is gaan heten – moeten in iedere studie aan bod komen. Dus met competentiegericht onderwijs an sich is niets mis, integendeel.”

Helaas, de balans tussen de onderdelen was zoek. „Maar ik denk dat we de kinderziektes uit het systeem hebben: ideaaltypische modellen hebben plaatsgemaakt voor realiteit. We bieden studenten weer een duidelijke structuur. Op Fontys hebben ze weer gewoon minimaal twintig tot dertig contacturen per week. En ik weet dat ook op andere hogescholen dit soort maatregelen is genomen.”

Van de term competentiegericht onderwijs wil Wintels liever af. „Die is door alle discussie besmet geraakt en roept negatieve associaties op.”

De critici van competentiegericht onderwijs, zoals BON en de SP, mogen de recente aanpassingen in het hbo op hun conto schrijven, zegt Wintels. „Een deel van hun kritiek, hoewel soms lichtelijk overdreven, was terecht. Maar nu die kritiek is opgepakt, wordt het tijd dat ze ophouden met het berijden van steeds datzelfde stokpaardje.”

Daar is Beter Onderwijs Nederland nog niet aan toe. „Kinderziektes? Als Wintels dat zo noemt, heeft hij er weinig van begrepen”, reageert Bergen. „De ziekte zit in het wezen van het systeem. En het lukt niet dat snel te verbeteren, omdat de mensen die dat zouden kunnen niet meer op de hogescholen werken. Veel kundige vakdocenten zijn verdwenen, vervangen door begeleiders en coaches. Die zullen er niet in slagen de overdracht van kennis en vaardigheden weer centraal te plaatsen.”

Met studenten relevante competenties goed aanleren, is niets mis, zegt Bergen. „Maar wil je dat écht goed doen, dan wordt het onderwijs peperduur. Je hebt dan echte vakdocenten nodig, die vooral kennis en kunde aanleren. En daarnáást competenties, zeker niet in plaats van.”

Bergen spreekt over de telefoon, vanuit een ziekenhuis waar hij herstelt van een herniaoperatie. „Er lopen hier een paar verpleegkundigen rond, opgeleid bij Fontys. Ze zeggen dat ze vrijwel alles over het vak hier in het ziekenhuis hebben moeten leren. Op de hogeschool was het veelal geleuter over competenties met coaches die alles accepteerden, zolang je maar zei dat je je persoonlijk goed ontwikkelde. Dát is de realiteit van het competentiegericht onderwijs in Nederland.”

Bart Funnekotter